vrijdag 27 maart 2026

Grijze lente


Je kunt op verschillende manieren slecht wakker worden. Een goede vriend van me zegt dat zijn dag bedorven is als hij mooi heeft gedroomd. De werkelijkheid (der graue Alltag zoals de Duitser zegt) valt dan zo tegen. Mijn betreurde vriend G. zag dat anders. Na een mooie droom was hij de hele dag licht melancholisch gestemd, een niet onprettige toestand. Ikzelf neig naar het laatste maar begrijp het eerste ook. Hoe dan ook zijn beide scenario's op mij niet erg van toepassing want ik droom vrijwel nooit mooi, waarom weet ik ook niet - het is niet dat ik zo ongelukkig ben of dat ik geen fantasieën en herinneringen koester die stof voor mooie dromen zouden kunnen geven; ik houd het er maar op dat het iets fysieks is, iets banaals: benauwdheid in de slaap door een verkeerde houding, met kattenharen dichtgeslibde bronchiën, of een niet gediagnostiseerde apneu. 

Vanmorgen werd ik bovengemiddeld somber wakker na een extra slaapje ("nog éven!") dat eerst niet wilde lukken en me, nadat ik eindelijk was ingedommeld, diep onder de gezonde niveaus van bewustzijn sleurde waar de mens het best gedijt, op een zeebodem waar verdwenen gestalten uit mijn leven in een bontere dan levensechte vorm rondscharrelden, verwikkeld in een complex spel waarvan ik de regels niet kon begrijpen, hoewel de omstandigheden bedrieglijk veel leken op wat ik had meegemaakt. Mijn moeder, een jaar of veertig, schatte ik na het ontwaken (tijdens zo'n droom schat of denk je niks, je valt volledig samen met wat er gebeurt), wilde nog koffie, hoewel ze volgens mij nog een warm kopje koffie met veel melk had staan. Ik bood aan die voor haar te zetten. Ik wilde zelf espresso maken in mijn eenkopsmoka, maar om haar een plezier te doen gebruikte ik haar koffiezetapparaat. Meer kan ik me bij het schrijven van dit blog niet herinneren en het lijkt me erg vreemd om hier zo ontdaan van te raken en toch was ik dat bij het opstaan. 

Ik volgde mijn dagelijkse routine. Na de yoghurt en de gymnastiek zette ik me met een tweede koffie in mijn stoel bij het raam en keek met tegenzin naar de dichte grijze lucht. Ik scrolde wat op mijn telefoon, die, geheel overeenkomstig mijn beste voornemens, de hele nacht buiten de slaapkamer had doorgebracht, en opeens kwam daar Liesbeth List langs. Grijze Lente - meteen na een of twee regels herkenbaar als een tekst van Lennaert. Ik kende die tekst wel uit zijn in de Pluche-reeks verschenen verzamelbundel, maar niet het bijbehorende liedje van Boudewijn, gekleed in een classy arrangement van Bert Paige, wat deftig maar handwarm gezongen door de dochter van de vuurtorenwachter. Het is te vinden op de plaat Pastorale uit 1968. Ik vond het een wonderlijk liedje, met zijn korte, kale refrein en zijn onregelmatige, maar wél op vertrouwde clichés berustende akkoordenschema. Even later zou ik van mijn telefoon leren dat Boudewijn zélf er niet zoveel in ziet en dat hij zich zelfs nogal schaamt voor wat hij en Lennaert destijds hebben geleverd aan la List, in de tijd dat zij 'de Van Gend & Loos van de Nederpop' waren: ze werkten op bestelling en soms was Boudewijn (aldus zijn eigen woorden in het Boudewijn de Groot Oeuvreboek) 'muzikaal volkomen de weg kwijt'.
Ik snap wat hij zegt. Het niveau van de zojuist afgeronde plaat Picknick wordt, afgezien van het befaamde titelnummer Pastorale, nergens gehaald en de composities lijken wat stuurloos rond te dobberen, vergeefs op zoek naar een pakkend refreintje - de arrangementen van Paige geven ze een flower power cachet maar als je ze alleen met een gitaar zou begeleiden zou er weinig van overblijven.

Maar toch, maar toch! Wat raakte Grijze Lente me vanmorgen, wat pakte de oude weemoed me, hoe troostend was het om het oude en zo vertrouwde idioom van Lennaert te horen, met zijn onveranderlijke thema's en zijn zo herkenbare taal. 
Een opwellende traan van ontroering luchtte op, en een wandeling door het park waar de kille grijze lente de magnolia's deed huiveren verdreef de schijngestalte van mijn moeder die me zonder het te willen ongelukkig had gemaakt, eenendertig jaar na haar dood. 


zondag 22 maart 2026

KROONJAAR


Robert Eksteen en ik zijn deze maand allebei zeventig geworden. Zoals onze karakters zich als schijnbare antipoden spiegelen, zo spiegelen ook onze geboortedata elkaar: 13 maart (ik), tegenover 31 maart (Robert).
Bij vorige kroonjaren (50, 60 en 65) stonden we stil met cd's (Dwarsliggers en Wat ik later wilde worden) en vertaalde liedteksten (Raconteur, troubadour). Dit kroonjaar besloten we schaamteloos (voor schaamte zijn we immers te oud geworden) een bloemlezing uit eigen literair werk te publiceren. Verhalen en gedichten hebben we gemaakt sinds mensenheugenis. Die uit de periode van de lagere school hebben we buiten beschouwing gelaten; ook de bijdragen aan de schoolkrant van het Cartesius Lyceum hebben we met de mantel der liefde onzichtbaar gemaakt.

Er bleef genoeg over. We hebben een persoonlijke keuze gemaakt uit dat wat ons het dierbaarst is gebleven en - losjes maar warm - een raakpunt had met ons beider leven, met onze lange vriendschap, onze ontwikkeling van jongeman tot grijsaard. Raakpunt, was een tijdje de werktitel van de bundel, maar die haalde het niet. Kroonjaar werd het. Naar het kwatrijn van Adriaan Roland Holst dat het motto van ons boek is geworden: 

Leeg en gehuldigd
kwam hij thuis,
vermenigvuldigd
tot een muis.

De verhalen en gedichten uit Kroonjaar zijn zo gekozen dat ze niet alleen voor onszelf waardevol zijn. Naar mijn  - toegegeven, niet zo objectieve - oordeel is het een prachtig en zinnig boek geworden, afwisselend en toch samenhangend. Poëtisch en scherp, romantisch en reëel. Vooral doet het me plezier dat zoveel mooie stukjes die alleen nog op vergeeld papier van obscure tijdschriftjes bestonden nu in heldere druk zijn verschenen. 

Vandaag, precies tussen ons beider verjaardagen in, laten we het boekje los. Hopelijk vindt het zijn bestemming. Helpt het landen en koopt allen:

Kroonjaar

Jan-Paul van Spaendonck & Robert Eksteen
Amsterdam/Haarlem
Uitgeverij Faun, 2026

16,58


HIER bestellen. 


vrijdag 20 maart 2026

Maart, maart!


De twee gezichten van de lente wisselden elkaar af met grotere snelheid en fellere kracht dan in andere jaren.
Eerst was er het ontluiken, de belofte, een zachte drang tot verandering. Ik keek naar mijn zomerjasje, heel teer bleekgeel met een subtiel Bommel-ruitje van blauwe en rode draad, en stelde vast dat de nek groezelig was, ik zou het naar de stomerij moeten brengen. Welke wist ik nog niet want de vertrouwde droogkuis in de Ferdinand Bolstraat was, had ik op het nieuws gezien, ten prooi gevallen aan brandstichting en explosieven.
Dan was er mijn kapsel. Dat was een ongepaste wintervacht die me vanuit de spiegel aangluurde met een ouwelijk aureool van veel lang en wit haar. Dat moest er spoedig af. Nog voor 1 maart eigenlijk, de dag van de meteorologische lente en de dag waarop mijn vriendin en ik onze zeventigste verjaardag vierden. Ondertussen fotografeerde ik bloesems in het park, citeerde neuriënd een Chinees gedicht over het uitbreken van het voorjaar en voelde me er in alle opzichten klaar voor.

Maar - er kwam een griepje, rond mijn echte verjaardag, en daarna was alles anders. De lente had me zijn wrede aangezicht toegekeerd, dat schitterde van hard licht en vol harde geluiden was. Mooi weertje, vond iedereen, de weerman van het journaal was in zijn nopjes. Maar de zwarte vlekjes voor mijn ogen dansten wild en de piep in mijn oren was ongewoon hard. Nerveus van maartangst, zweterig en overgevoelig door hardnekkige verkoudheid deed ik wat ik moest doen en onttrok me zoveel mogelijk aan wat niet echt noodzakelijk was. Blij 's avonds met een boek naar bed te mogen. Het eierdooier-met-melk-gele jasje bleef aan zijn knaapje, de kapper moest nog maar even op klandizie wachten. 

Hieronder een gedichtje over de goede kant van maart, de welkome, de veelbelovende, de verruimende, de reinigende. Ik schreef het op 15 maart 1978, twee dagen na mijn tweeëntwintigste verjaardag. Het staat op pagina 9 van een gloednieuw prachtboek, waarover ik u aanstaande zondag alles zal vertellen. Nog even geduld!  

Maart

De wereld wordt door stormen schoon geblazen,
en als een gouden olie uit kristallen schenkkan
vloeit het licht, en vult de maartse lucht.

Een wolkennet met fijne blauwe mazen
is luchtig vallend om de aarde gedrapeerd:
de vogels weven het in dronken vlucht.


Illustratie: De Dans van de Tijd (1635), Nicolas Poussin (1594-1665)


vrijdag 13 maart 2026

BUONGIORNO

Vandaag, de dag van mijn zeventigste verjaardag, waag ik me weer eens aan een stukje zelfonderzoek, zoals ik het tegenwoordig zelden meer op schrift beoefen; in de beginjaren van dit blog, toen ik pas uit de kliniek was, was het juist schering en inslag: de analyse van mijn gedrag en gedachten, zo mogelijk afgerond met een passende, geruststellende conclusie. Mild zelfonderzoek en mooi "rondgeschreven", zoals iemand ooit zei. De laatste jaren heb ik daar niet zo'n zin meer in. Het is allemaal te ingewikkeld, de mens, de wereld, wie ben ik om met oplossingen te komen? Sfeerimpressies, anekdotes, snippers essay, daar hield ik het maar liever bij. Niet iedereen zal dit onderschrijven en zeker mijn vertrouwde critici zullen honend lachen als ze dit lezen. Maar naar mijn gevoel is het waar en daar gaat het om, op mijn zeventigste verjaardag.  

Mijn zoon noemt het buongiorno. De stemming waarin je zelfverzekerdheid uitstraalt, die met présence en stemverheffing gepaard gaat. Het Italiaans en de stemverheffing zullen verband houden met de jaren waarin ik als belcantozanger aan de weg timmerde.
Pieken en dalen, daar ben ik vanaf mijn kindertijd aan gewend. Dagen van inkeer en dagen van naar buiten gericht zijn wisselden elkaar altijd af. Pas veel later, toen het minder onschuldig werd, had ik daar een naam voor: bipolair. Licht bipolair. Als ik in een 'opgetogen' fase was beland merkte ik het vaak het eerst aan de reacties van anderen. Ik werd op straat aangekeken of aangesproken door passanten, vrouwen zagen opeens meer in me dan een bedaarde, baardige wandelaar. 'Het was een dag, bien luné...' schreef ik ergens in een dagboek over zo'n dag waarop ik blijkbaar iets uitstraalde dat opgepikt werd door de wereld om me heen.
Het buongiorno werd handelsmerk, ik maakte er mijn beroep van. Ieder optreden moesten we, Vincent en ik alias La Passione, die gepassioneerde buitenkant aan de wereld tonen. Ook als je niet lekker in je huid stak en je het liefst met een boekje bij de haard had gezeten, gordijnen dicht. Het buongiorno werd iets dat oproepbaar was, een masker dat je kon opzetten als het werk erom vroeg. Uiteindelijk een niet zo gezond procedé. En beroepsmatige extraversie valt al snel door de mand. Na een optreden benaderen mensen je vol verwachting, maar als blijkt dat die podiumpersoonlijkheid precies dát is: iets voor de bühne, haken ze al snel af, knikken je vriendelijk toe, negeren je verder en praten rustig keuvelend met hun achterban.
Ik heb me vaak afgevraagd hoe een mens écht, dat wil zeggen permanent charisma kan hebben. Als jojoënde stemmingswisselaar heb of had ik hoogstens een soort parttime charisma, al beweert mijn vriendin dat ik altijd de aandacht naar mezelf toetrek door wie ik ben of lijk te zijn (misschien is dat wel zo, maar dan merk ik het zelf toch niet, doordat de onzekere man die in mijn innerlijk woont me het zicht belemmert).


Op de carrousel van foto's die op mijn beeldscherm rouleert komt soms een plaatje voorbij dat me aan het denken zet over deze dingen. 
In 2009 brachten we een week door in Ortigya, het op een eiland gelegen historische centrum van de zuidelijke havenstad Syracuse. De aanleiding was een bezoek aan mijn vriend Geerten, die daar toen woonde. Ik probeerde in die tijd onder begeleiding van de Jellinek te stoppen met drinken maar dat ging op en af, en als het niet lukte dook ik steeds dieper onder in een alcoholisch bassin. Op Sicilië, die eerste keer (het jaar daarop kwam ik er in een droge periode) was het goed raak. Ik dronk de hele dag door. Biertje bij het ontbijt om bij te komen, wijn bij de lunch, en vanaf het middaguur was er nauwelijks meer een halt. Mooie maar chaotische tijd, de dagen buitelden door elkaar en liepen in elkaar over - mijn dagboekje, naderhand aangevuld, staat vol vraagtekens. Enfin, ik zal u de details besparen - we misten het vliegtuig terug naar huis. Verkeerd op de tickets gekeken. We boekten voor veel geld een nieuwe vlucht een paar dagen later en klopten na een nacht bij Geerten op de vloer bij ons hotel aan, dat gelukkig nog plaats had. Ik herinner me die toegift als iets rustiger. Ik las mijn vriendin La sirena van Lampedusa voor op de hotelkamer, en... ik ging naar de kapper. 
Daar is dat plaatje van. De kapper, een aardige rustige baas, kwam uit Uruguay (een derde van de Uruguayaanse bevolking heeft Italiaanse wortels). Algauw zaten we samen Figaro te zingen. Het toeval wilde dat er een televisieploeg van de Uruguayaanse tv in de kapsalon was om een documentaire te maken over onze barbier. Ze snoven mijn buongiorno gretig op en algauw snorde de camera. Op die foto zie ik hoe charisma werkt. Vooral de jongste tv-man kijkt me zonder terughouding bewonderend aan. Later die middag aten we op een pleintje spaghetti met zee-egels. Het had geonweerd maar al snel daarna was de lucht opgeklaard. Ik zong voor het terras: Che bella cosa... Wat een prachtig iets, een zonnige dag, de heldere hemel na een onweersbui. 'O Sole Mio!!!

Normaal is er na zo'n uitbundige bui een diepe schaamte over de eigen aanstellerij. Maar tijdens dat verblijf op Sicilië bleef die achterwege. Ik vermoed nu dat ik uit zelfbehoud in die manische stand bleef volharden, omdat ik wist dat, als ik eenmaal tot bezinning kwam, de put te diep zou zijn - veiliger was het voorlopig maar even uit te razen, met mijn vastgeklonken buongiorno-masker op. 

Ik geloof niet dat iemand me sindsdien zo naar de ogen heeft gekeken als die jongen uit Uruguay. Maar ik ben ook nooit meer zo diep gevallen als daarna, terug in Amsterdam, en ik heb me nooit meer zo hoeven oprapen - of laten oprapen - als toen.  



vrijdag 6 maart 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 69: Hommels, katten en muizen


Ik liep zoals iedere dag in het park. Nog met wintervacht - de kapper was er vandaag niet van gekomen - maar mijn jas hing open en mijn V-hals jumper had ik thuisgelaten. Anders dan gisteren was de lucht niet helderblauw. De zon had enige moeite erdoorheen te komen, een weggemoffelde diamant. Ik stoofde me zachtjes in dat diffuse licht. Koesterde herinneringen aan voorgaande jaren. De vogels herinnerden zich niks, die waren net zo uitbundig als de dag ervoor. In de rijke witte bloesems van een zure kers (maar het kon volgens PlantNet, met iets minder waarschijnlijkheid, ook een sleedoorn zijn) zat een flinke hommel. De eerste van het jaar. Ik dacht aan een klein stukje dat ik op deze webpagina schreef, 15 jaar geleden alweer.

8 april 2011

In de gang kroop een hommel. Hij zat onder het stof. Hij moet de winter in een hoekje hebben doorgebracht. Ik pakte hem met stoffer en blik op en zette hem op het balkon. Daar verstarde hij, terwijl hij zijn rechtervoorpoot ophief alsof hij het verkeer regelde, of de Hitlergroet bracht. Ik begreep het. Hij had last van de felle zon. Ik schoof hem in de schaduw, en hij begon weer te bewegen. Eerst waste hij zijn voorpoten. Dan maakte hij een enkel proefvluchtje, vijf centimeter rechtstandig omhoog, meer niet. Alles deed het nog. Hij leek moed te scheppen, en wierp zich vastberaden in de lucht. Hoog en snel ging het meteen, met duizelingwekkende zwenkingen. Maar de willekeurige patronen werden al gauw kleiner, en met grote precisie dook hij in een bloeiende perenboom.

Vannacht was er reuring in huis. Ik kreeg er weinig tot niets van mee want ik slaap vast. Snuf was boven in zijn functie van muizenpolitie. Broer Snuitje durft het trappenhuis niet in, de zolderetage is voor hem onbekend terrein. De dag ervoor had hij, Snuf, er een gevangen, een volwassen exemplaar. Good boy! Maar tot verbazing van mijn dochter beet hij zich niet grommend vast in het diertje, maar droeg het voorzichtig aan zijn nekvel mee, teder bijna, zoals katten met hun kittens doen. Hij liep een tijdje - besluiteloos ondanks zijn felle grote ogen - met zijn prooi rond, voor hij die losliet en er wat mee begon te spelen. Tikje, schuiven, tikje. De muis zag zijn kans en greep die, verdween in een holletje in de plint.
Gisteren herhaalde de gang van zaken zich: rondzeulen, loslaten, sjoelbakken. Deze muis vond geen gat en bleef rug tegen de muur in een hoekje zitten. Snuf ging het wereldraadsel zitten bepeinzen, kijkend naar dit enigmatische fenomeentje, blijkbaar nu al verveeld door een veelbelovend kameraadje dat voor minder opwinding zorgde dan de speeltjes waarmee mijn dochter zijn kilo's een beetje binnen de perken probeert te houden. Op een telefoonfilmpje zag ik de volgende morgen hoe mijn dochter het diertje aan zijn staart de trap afdroeg en buiten losliet. Het schoot, geschrokken maar ongedeerd, met razende pootjes onder een geparkeerde auto. Onze vorige kat Tijger schrokte de muizen in één keer naar binnen, dat was een jager. Snuf is een zachtmoedige, decadente binnenkat. Nul instinct.


vrijdag 27 februari 2026

VOORJAARSSCHOONMAAK


Het plotselinge uitbreken van de lente laat vermoedelijk niemand onberoerd. Iedereen zal het op zijn of haar eigen manier ervaren. Je ziet mensen (vele) die, meteen omgeschakeld, een ijsemmer vol wit of rosé bestellen op een hip terras. Anderen aarzelen welk soort jas te dragen (of helemaal geen?) en moeten nog even wennen aan al het gekwetter en lichtgeschitter. Ik was met mijn vriendin in Amsterdam Nieuw-West bij een Turkse winkel om inkopen te doen, want we hebben iets te vieren; we kochten meer dan we normaal zouden hebben gedaan, het zag er allemaal zo feestelijk uit, wat daar in bakken en schalen lag opgetast.
In de auto neuriede ik, tussen happen van een lahmacun door, Mahler: Der Trunkene im Frühling. Thuis sloeg ik er mijn vertaling op na, en daarna het origineel van Hans Bethge, dat nogal afwijkt van Mahlers versie. Zoals altijd vroeg ik me af waarom ik het iconische eerste vers niet gewoon had vertaald als: Als slechts een droom het leven is. Vroeger vond ik die één op één vernederlandsing heel gewoon. Toen ging ik twijfelen: het was toch écht een germanisme, die rare woordvolgorde. Ook mijn voorganger, dichter-vertaler Hélène Swarth (1859-1941), durfde ruim een eeuw geleden een letterlijke vertaling niet aan in De chineesche fluit (Meulenhoff, 1921) en maakte ervan: Zoo 't leven meer niet is dan droom... 

De drinker in de lente

Het aards bestaan is slechts een droom  – 
Wat maken we ons druk?
Ik drink totdat ik niet meer kan,
In ongestoord geluk.

En als ik niet meer drinken kan,
Gevuld van buik tot mond,
Dan val ik in een slaap die duurt
Tot aan de morgenstond.

Wat hoor ik als ik wakker word?
Een vogel in een boom.
Ik vraag hem of het voorjaar is – 
Het is alsof ik droom.

De vogel kwettert: ja, het is
Al lente, sinds vannacht.
Ik slaak ontroerd een diepe zucht,
De vogel zingt en lacht.

Ik vul mijn glas opnieuw en zet
Het gulzig aan mijn mond,
En zing totdat de maan verschijnt
Aan ’t zwarte hemelrond.

En als ik niet meer zingen kan,
Is slapen wel weer fijn.
Want wat gaat mij de lente aan!
Laat mij toch dronken zijn!

Hans Bethge, naar Li Bai (Li T'ai Po), vertaling JPvS

                   *

Der Trinker im Frühling

Wenn nur ein Traum das Dasein ist,
Warum dann Müh und Plag?
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann,
Den ganzen lieben Tag.

Und wenn ich nicht mehr trinken kann,
Weil Leib und Kehle voll,
So tauml ich hin vor meiner Tür
Und schlafe wundervoll!

Was hör ich beim Erwachen? Horch,
Ein Vogel singt im Baum.
Ich frag ihn, ob schon Frühling sei – 
Mir ist als wie im Traum.

Der Vogel zwitschert, ja, der Lenz
Sei kommen über Nacht, 
Ich seufze tief ergriffen auf,
Der Vogel singt und lacht.

Ich fülle mir den Becher neu
Und leer ihn bis zum Grund
Und singe, bis der Mond erglänzt
Am schwarzen Himmelsrund.

Und wenn ich nicht mehr singen kann,
So schlaf ich wieder ein.
Was geht denn mich der Frühling an!
Laßt mich betrunken sein!



Ik houd momenteel voorjaarsopruiming. Vele, veel te lang bewaarde boeken verdwijnen naar straatbiebjes om plaats te scheppen voor nieuwe aanwinsten. Ook mijn verzameling eigen werk moet maar eens uitgedund worden. Ik heb nog een bescheiden doosje vol met exemplaren van De Chinese fluit, door de Avalon Pers in 2014 liefdevol met de hand gezet en gedrukt op fraai, dik crèmekleurig papier en voorzien van een pentekening door mijn dochter Rosanne. 

Wie wil kan er een voor 13,50 inclusief verzendkosten bestellen. Ik zet er handtekening en opdracht in.
Mail naar: jpvanspaendonck@gmail.com. 

vrijdag 20 februari 2026

TOEVAL


Ik was niet uitgerust - de slaap had niet snel willen komen de avond ervoor -, maar zodra ik buiten kwam voelde ik me opgefrist: het was minder koud, windstil en de geur van regen hing in de lucht. Ik ademde diep in en ging op pad naar het huis van mijn Italiaanse vriend bij wie ik koffie zou gaan drinken - we hadden veel te bespreken en ik had een boekje bij me dat ik op verzoek van de uitgever aan hem moest overhandigen, met de complimenten. 
Een klein halfuur later belde ik aan.
Niets. Ik herinnerde me zijn herhaalde instructies om vooral ferm te drukken, want de ouderwetse bel had kuren. Nog eens drukte ik, en weer, met verschillende druk en duur. Weer bleef het vertrouwde gestommel in het trappenhuis, begeleid door mompelend commentaar, uit. Ik deed een paar stappen terug en keek omhoog. Er brandde geen lampje boven de computer die aan de raamkant stond. Ik appte (ik sta voor je deur, ben je thuis?) en begon te schilderen, zoals dat in oude Maigrets heet; "wachtend op en neer lopen" volgens de Van Dale - Maigrets inspecteurs doen het nogal eens als ze een bepaald verdacht pand moeten bewaken. 
Toen er een kwartier voorbijgegaan was liet ik het boekje in de brievenbus glijden en liep terug naar huis. Ik besloot een andere route dan normaal te nemen, binnendoor, langs het water, en niet langs de C.-laan. Er passeerde me een vrouw. We knikten elkaar toe. Ik keek nog eens. Ja, dat was R. Ik riep haar naam: R.! Ze draaide zich om, herkende me, spreidde haar armen en omhelsde me.

Maak je nog steeds muziek, was een van de eerste dingen die ze wilde weten. Ze was anderhalf decennium ouder dan toen, en ik ook. Een godswonder dat we elkaar meteen herkenden, maar voormalige kliniekgenoten hebben een intensieve tijd doorgemaakt samen die niet snel uit te wissen is. Mij ging het wel goed, zei ik; al die wissewasjes en schommelingen in gevoelstemperatuur kon je op deze grote schaal wel buiten beschouwing laten. Ze nam een pepermuntje.
Ik had het allang geroken. Ze vertelde dat ze tien jaar geen druppel had gedronken, maar na een scheiding en een gedwongen verhuizing was het weer raak geweest. De flessen wodka waren niet aan te slepen. Ze lachte erbij. Overmorgen ga ik weer naar de kliniek, zei ze. Solutions, in V. 'Ben ik al eerder geweest. Ach ja, het leven is vallen en opstaan, we moeten er maar niet zo'n enorm probleem van maken,' meende ze luchtig. We praatten over wederzijdse bekenden.

I. was inmiddels overleden, wist ik dat? Ja, ik wist er alles van. Ik had in mijn boek Een klein verwend jongetje een hoofdstuk gewijd aan de geschiedenis van I. en R. Onder schuilnamen uiteraard. Nu bleek dat alles heel anders was gegaan dan de grootsprekende, fabulerende I. me destijds had wijsgemaakt, ik geloofde R. op haar rulle wodka-woord, zij zat niet in de reclame, zoals I.
Sterker nog, ze had in haar lange droge jaren in de verslavingszorg gewerkt, onder ons beider verslavingsarts W.S. ('Mijn held', zei ze) die ik als Dr. Siegfried Nimsgern in dat genoemde boek heb opgevoerd. Met hem ging het slecht, hij had 'overal kanker', en dat met twee jonge kinderen... Ik schudde meelevend mijn hoofd en was blij dat ik zo'n sympathiek portret van hem had geschetst in die roman. We namen afscheid, ze omhelsde me opnieuw, die wodka-adem rook vertrouwd en eigenlijk best lekker, ik wenste haar veel succes in de kliniek.
Het toeval wil, dat ik juist dezer dagen bezig ben met een grondige revisie van dat boek. Ik schraap er alle literaire glazuur vanaf die ik er destijds uit onzekerheid op aangebracht heb en behoud de basistekst zonder franje. Moest ik nu die hele 'liefdesgeschiedenis' tussen die twee herschrijven? Ik besloot van niet. Het was het verhaal van I. dat ik uit zijn mond had opgetekend. Of dat historisch juist was donderde niet, voor wat dat boek betreft.
Het toeval wilde, dat mijn vriend niet thuis was (niks ernstigs gelukkig, hij had zich vergist in de datum) en het toeval wilde dat ik een andere route naar huis nam. Een mislukte excursie leverde een mooie ontmoeting op.
Maar dat het slecht gaat met Dr. Nimsgern wierp een schaduw over de rest van de dag.


(Dobbelstenen: Lyra's Hoard)

vrijdag 13 februari 2026

DOEDELZAK


We wilden eens een DNA-test doen, om te kijken wat er nu precies waar was van al die familieverhalen. De wattenstaafjes gingen in een met vloeistof gevuld buisje en werden opgestuurd naar een laboratorium in een ver buitenland. Daarna was het wachten geblazen. Regelmatig kregen we mails van het bedrijf met reclame voor andere diensten, stambomen uitzoeken bijvoorbeeld, of DNA-matches met anderen vaststellen. Er zit geld in ons verborgen verleden. 

Afgelopen woensdag was het zover. Ik opende de mail.
Jan-Paul, U bent... verscheen in beeld - een  sterrenhemel lichtte aan, er klonk spannende muziek - ... 76,7 % Nederlands.
Oké, dat zat eraan te komen. Maar het ging me natuurlijk om die andere 23,3 %.

Ik heb ooit de stamboom van mijn oma uitgezocht. Dat was een makkie, want de familienaam Grabijn is zeldzaam, en terug te voeren tot één persoon. Hans Hinrich Grabin (1707, Brinkum, Nedersaksen) had een zoon Friedrich (1743-1803) die naar Nederland kwam vanwege de liefde en zijn naam verhollandste tot Grabijn. Hij stierf in Amsterdam en ligt daar ook begraven, in Buikslotermeer. Zijn zoon heette Jan Fredrik. Zijn kleinzoon Johannes Christiaan (1798-1826) verruilde Amsterdam voor Delft en daar begon de familiegeschiedenis van mijn Delftse oma. 
Als bluffende genealogie-amateur poneerde ik: die Grabijns zijn dus helemaal geen Hugenoten (Grabin op zijn Frans uitgesproken) zoals in de familie werd beweerd - mijn oma had zelfs een Hugenotenkruisje -, het zijn Duitsers, en gezien de naam "Grabin" waarschijnlijk uit Polen. In dat Oostblokland liggen namelijk een aantal steden en dorpen die zo heten.
De DNA-uitslag gaf me deels gelijk; ik ben voor 5 procent Duits, dankzij Hans Hinrich. Maar niks Polen. Grabin is een gewone Duitse naam en heeft geen aantoonbare Poolse herkomst. Exit Polen, geen genetisch excuus meer voor die drankzucht.

Ook een andere aanname kon de prullenbak in. Ik was van vaderszijde een Spaanse Brabander, wist ik vrijwel zeker. Tijdens de 80-jarige Oorlog hadden de Spanjolen Den Bosch in bezit en in de wijde omtrek van die stad hadden ze volgens een hardnekkige mythe zowat alle meisjes bevrucht. Vandaar het donkere uiterlijk van oma, die koolzwarte ogen. Maar het DNA was onverbiddelijk. Geen drupje Spaans bloed. Waar dat donkere dan wel vandaan kwam?
Hoera! Ik was voor 4 % Frans!
Maar, voor mijn Joodse collega's die me in de loop der jaren hebben omarmd als een vermoedelijke verre bloedverwant: West-Europese en Centraal-Europese Asjkenaziem: 0.0 procent.

Goed. Geen Pool, geen Spanjaard, geen Jood. Wat dan wel, behalve dat vooral Tilburgse, Antwerpse en Zuid-Hollandse, en dat beetje Duits en Frans?
Tromgeroffel... Negen procent Engels! 
Huh? Waar komt dat vandaan? Vandaar dat ik me bij de Britten altijd zo op mijn gemak voel.

Tot slot hadden de uitkomsten van kit nummer MH-488X77 nog een kleine verrassing in petto. Die twee procent Zweeds en Deens... ach, dat zou wel van de Engelse connectie komen. De Vikingen hebben het eiland immers geteisterd, geknecht en bevolkt. 

Maar dat ik voor 1,6 % Schots en Welsh ben, dat pleziert me. Ik ga een doedelzak kopen.


Illustratie: Jacob Jordaens (1593-1678), zelfportret als doedelzakspeler, circa 1640.


vrijdag 6 februari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 68: vondsten


Twee weken geleden, op een koude zondagmiddag, liepen mijn vriendin en ik vanuit haar huis op de dijk naar het nabijgelegen dorpje. We hadden er iets te doen. In het kerkje aldaar, de Noordeinder Vermaning, gingen we naar binnen om het boekenaanbod te bekijken. Het boekenkerkje is de bijnaam van dat altijd geopende, niet meer in gebruik zijnde godshuis sinds er, buiten evenementen om, op grote schaal boeken tweedehands te koop zijn, voor wat de gek ervoor geeft. Die vrijwillige gift gaat in een schoenendoos, men is er goed van vertrouwen, niet altijd terecht, heb ik begrepen. Ik heb er al menig mooi exemplaar gevonden, van een uitgave van Duizend en één nacht uit 1939 met 50 prachtige platen van Edmund Dulac tot een cassette met romans van Simenon. Toen ik een keer geen contant geld bij me had heb ik later een bedragje overgemaakt, eerlijk is eerlijk. 
Dit keer was er vooral veel crime fiction, al of niet literair. Ik liet Nicci French en consorten voor wat ze waren en boog me over een stapeltje grammofoonplaten. Ik besloot kritisch te zijn. Ik draai weleens een plaat (vinyl zoals dat tegenwoordig heet) op mijn kleine pick-upje met ingebouwde luidsprekers, maar vaak is het niet; en ik heb stapels en stapels platen thuis omdat ik na de overstap op cd, eind vorige eeuw, mijn collectie niet kon en wilde wegdoen. Dus bladerde ik de hoezen werktuiglijk door zonder de verwachting dat er iets bij zat, de eerste platen waren niet veelbelovend.
Toch! Daar was een keurig in plastic verpakt grijsblauw album met de beeltenis van Franz Liszt erop. Transcripties van stukken uit Wagner-opera's en op kant twee late pianostukken, die interessante, sobere en verstilde stukken dus, die mijn vader het vermoeden deden uiten dat de oude Ferenc licht aan het dementeren was geraakt. Toos Onderdenwijngaard was de pianiste. Die naam kwam me onmiddellijk bekend voor en onderweg naar huis vertelde ik mijn vriendin wat ik me herinnerde.
Ze was een succesvol concertpianiste maar bij ons thuis vooral bekend als een der oprichters van de Franz Liszt Kring. Daar werd mijn vader in de late jaren 70 lid van, ik herinner me nog dat hij met deze Toos belde. Hij wilde meedoen als voorvechter van de ouderwetse romantiek, op de bres springen om het erfgoed te verdedigen tegen het in die tijd woedende barokvirus. Op gezette tijden viel er een tijdschrift in de bus en hij ging naar concerten die door de Kring werden georganiseerd.
Ik opende de plaat. In de hoes stak een handgeschreven opdracht. Een briefje van een dankbare patiënt aan de afdeling "F.3.Z." voor 'hun kennis en kunde en hun warme benadering van de mens, of die nu patiënt, diens bezoeker of Uw collega betrof'. Blijkbaar had de staf van afdeling F.3.Z. niet zoveel op met de esoterische 'late Liszt' want de plaat was in nieuwstaat, glanzend zwart, elektrisch geladen en ongeschonden.

Vanmiddag was het moment waarop ik Toos, een generatiegenoot van mijn vader, 1926-2019, slechts een jaar na hem geboren en drie jaar later dan hij overleden, zou gaan beluisteren. Een druilerige februarimiddag, rustige dagen voor de boeg, kaarsje aan, tripeltje ingeschonken.
Maar het pick-upje kon geen verbinding maken met het stopcontact, het snoer was te kort (de nieuwe bank had voor een verschuiving in de kamer geleid). Liever dan daar nu een oplossing voor te verzinnen dacht ik op YouTube terecht te kunnen. Ik verdwaalde eerst in allerlei oude video's van prog-bandjes van mijn zoon en vakantiefilmpjes van onze familie voor ik welgeteld één video van Toos Onderdenwijngaard vond, een bandrecorderopname uit de jaren zeventig. Erg mooi, dat wel. 

                                                                        *

In het boekenkastje in mijn straat vandaag: Handschrift, van Jean Pierre Rawie. Hij is de bestverkopende dichter na Annie M.G. Schmidt en Toon Hermans, las ik, en zo zag dit deeltje van Prometheus er ook uit: in feestelijk goud en rood gevat, alsof het alvast vooruitliep op zijn status als kerstcadeau. 
Thuis begon ik er zonder veel verwachting in te bladeren maar ik werd desondanks gepakt, vooral door de uitmuntende vertalingen uit Engels, Russisch en Portugees waarmee het boekje eindigt. En ik dacht aan de gedichten van Simon Vestdijk, die zo hemelsbreed verschillen van deze J.C. Bloem 'light'. Voor ik het wist dichtte ik twee kwatrijnen, ongetwijfeld geïnspireerd door JPR, die deze versvorm ook hanteert, naast het sonnet. 

Jean Pierre Rawie

Zijn verzen, in gewone mensentaal
en dus verstaanbaar voor ons allemaal,
zijn door die klare eenvoud zeer weldadig -,
maar soms ook wel een tikkeltje banaal.

Vestdijk

‘k Raak over zijn romans niet uitgepraat,
terwijl zijn dichtwerk me Siberisch laat.
’t Is niet dat hij niet mooi en knap kan rijmen -,
maar ik begrijp gewoon niet wat er staat.


Illustratie: 'Het toverpaard', Edmund Dulac (1882-1953)


woensdag 4 februari 2026

Aan de wind die dooi brengt


"Robert Frost (1874-1963) dichtte begrijpelijke poëzie in mooie maar eenvoudige taal. Als een van zijn grootste verdiensten wordt gezien, dat hij de prosodie van de spreektaal van New-England in zijn verzen ving. Geen gezwollen frases, geen dikke woorden. Gewone mensentaal in een herkenbare literaire, in wezen negentiende-eeuwse vorm. De bruggenbouwer tussen twee eeuwen. Geen elitaire modernist, iedereen kon het snappen. Voeg daarbij dat zijn onderwerp het landleven was, dat zijn poëzie dus eigenlijk een soort natuurpoëzie is, en je hebt alle redenen bij elkaar om zijn langdurige populariteit te verklaren.
En tevens alle redenen om te verklaren waarom deze man, voormalig poet laureate, die maar liefst vier keer de Pulitzer Prize won, in de jaren zeventig in diskrediet begon te raken. Na zijn dood werd hij een tijd lang beschouwd als een folky, een aaibare verzensmid, een soort literaire Rien Poortvliet. Iedereen kende zijn bekendste gedichten – maar wie las hem nou nog, die doorgeschoten negentiende-eeuwer? Tegenwoordig wordt hij weer op waarde geschat en gezien als een van de grootste Amerikaanse dichters van de twintigste eeuw.

De populariteit die Frost in de Engelssprekende wereld kent is nauwelijks weerspiegeld in ons taalgebied. Er zijn her en der (vooral online) wat vertalingen te vinden maar Aan de wind die dooi brengt is de eerste bundel met Nederlandse versies van Frosts bekende en minder bekende gedichten.

Uit het rijke oeuvre van Frost selecteerde Jan-Paul van Spaendonck een gevarieerde keuze van 33 gedichten en maakte daarvan prachtige vertalingen waarbij rijm en metrum van de oorspronkelijke verzen behouden bleven. Tevens schreef hij een informatief nawoord waarin ingegaan wordt op leven en werk van Frost.

Aan de wind die dooi brengt heeft een omvang van 52 pagina’s en verschijnt als 22e deel in de reeks Saldencahiers."

(Uit een nieuwsbrief van de uitgeverij. Bestellen bij mij of via: Statenhofpers.)


vrijdag 30 januari 2026

WARM


Ik pakte mijn gitaar uit en legde mijn teksten klaar. Martijn stemde, Jenny blies haar fluit warm. We trapten af met Een meisje van zestien, ietsje langzamer dan we gewend waren. Een lekker tempo, vonden we. Zonder haast, zonder drang. 
In de auto op weg naar Zaandam dacht ik nog: Och, het is eigenlijk wel mooi geweest. We doen dit al ruim drie jaar, misschien wordt het eens tijd voor iets anders? Maar nu, al zingend en spelend, verspreidde een warmte zich door mijn ziel, anders kan ik het niet zeggen. Het was lekker om deze liedjes die we zo goed kennen weer te zingen en het voelde ook zinvol; het was of ik een oude jas aantrok die me volmaakt paste en me beschermde tegen de winterkou, zei ik tegen mijn medemuzikanten, ik schaamde me nauwelijks voor het cliché. 

Dat was gisteren, op wat Lennaerts 81e verjaardag geweest zou zijn. Zojuist vertelde ik hoe het, bijna tijdens Meester Prikkebeen, zachtjes was beginnen te sneeuwen in Zaandam, met heel kleine, maar suggestieve vlokjes.
'Lennaert keek mee van boven,' zei mijn dochter, die de tafel aan het prepareren was voor een sessie van Vampire: The Masquerade. 'Zo is dat,' knikte ik.
Meteen daarna herinnerde ik me dat ik die frase in iets andere vorm al eens gebruikt had. In een blog uit januari 2013 over de opening van een expositie, voorafgaande aan het Nijgh-festival. 

Blijkbaar had Lennaert die middag met welgevallen op ons neergezien, vanuit zijn hemelse kroeg. Want toen ik de parkeergarage uitreed moest ik mijn ruitenwissers aanzetten. Eerst dacht ik dat het regende. Maar, o wonder, het was sneeuw.

A.s. zondagmiddag, 1 februari, om 15.00 uur, treden we op in de Noordeinder Vermaning.
Noordeinde 18
1485 EV Noordeinde
Entree 15 euro.
Voor de gelegenheid is het programma uitgebreid met nieuw repertoire en een nieuw instrument: naast gitaar, mandoline en percussie bespeelt Martijn ook de bouzouki. Volg de link hieronder om kaartjes te bestellen. Van harte aanbevolen!

vrijdag 23 januari 2026

OPGERAAPT


Het kastje was na weken van bibliofiele armoede aangevuld met nieuwe bandjes. Er was duidelijk een liefhebber van poëzie langsgekomen. Ik tilde bundels op van Leonard Nolens, de op Tweede Kerstdag jongstleden overleden Vlaamse dichter, en van zijn Hollandse collega-romanticus Jean Pierre Rawie. Daarna pas zag ik de verzamelde gedichten van M. Vasalis, degelijk maar onaantrekkelijk uitgegeven. Drie bundels werd me opeens te veel. Ik heb de voornaamste werken van mevrouw Droogleever-Fortuyn-Leenmans alias M. Vasalis al in de kast staan en, hoewel ik warme herinneringen heb aan De idioot in het bad en Afsluitdijk, ben ik nu ook weer niet zo gek op haar werk dat ik het volledig wil bezitten. Maar Vasalis negeren en Nolens en Rawie wél meenemen leek me ook weer vreemd. Ik besloot vandaag met lege handen naar huis te gaan en legde ook Een Hollands drama van Van Schendel, dat ik me al had toegeëigend, terug.
Tevreden over mijn schrale, bij januari passende zelfbeheersing (de boekenkasten zouden vandaag niet verder gaan uitpuilen) liep ik verder. Naast een uitspringende nis waarin zich, achter raamglas, sinds jaar en dag een kleine verzameling curiosa bevindt, met een briefje met een telefoonnummer erbij voor eventuele geïnteresseerden, stonden wat soortgelijke voorwerpen op straat: een gipsen Mariabeeld, een tabouretje, onduidelijke stukken houtsnijwerk. Een vrouw met een rollator (ik ken haar van vroeger, ze had ooit een winkeltje met antiquiteiten in mijn straat) stond ervoor stil. 'Dit mag je zomaar meenemen,' zei ze met weifelende stem. Ik knikte, mompelde mijn verbazing, liep door maar draaide me om en keek toe hoe ze het tabouretje loswrikte uit de verzameling. Toen ze zich weer in beweging had gezet ging ik terug; zonder dat ik het me bewust was geweest had ik in die luttele minuten of zelfs seconden een keus gemaakt: ik had het verdiend na mijn ascetisch negeren van de boekjes. Ik pakte het Mariabeeld op, het was een kleine vijftig centimeter hoog. Ik zag dat de Heilige, Wonderdadige Maagd onder haar blote voeten een fel gekleurde, venijnig ogende slang in bedwang hield of misschien vertrapte. Haar armen hield ze uitnodigend gespreid, geen zoetelijk kindje belemmerde haar dat. 
Boven borg ik mijn boodschappen weg en zocht naar een geschikte plaats voor het beeld. Dat was nog lastig, want alle oppervlakken in mijn huis zijn druk bezet met de vele memorabilia en siervoorwerpen die ik niet wil wegdoen. Uiteindelijk besloot ik het op het mahoniehouten Indische kastje in mijn halletje te zetten, voor de antieke spiegel van oma, tegenover de krullerige dubbele wandkandelaar, onder de krans van gedroogde rozenbottels, overgebleven van een kerstmis van jaren her. Op de witte kast van waaibomenhout waarin allerlei nuttige rommel ligt, pillen, potjes, etuis, opladers, ducttape, gereedschap, en die is afgedekt met de grand foulard die tot voor kort de slijtplekken van de inmiddels het huis uit getakelde Chesterfield bank aan het oog onttrok, was geen plaats meer, daar staan de bloemenvazen. 
Ik bedacht dat de tijd nu toch echt dichtbij komt dat ik in BinnensteBuiten geportretteerd word. Welkom in mijn duurzame bohemien-bedoening; bijna alles van wat hier staat is gekregen, tweedehands gekocht of van straat opgeraapt. 


vrijdag 16 januari 2026

Voorheen Rookzangers Notitieblog 67: oninteressante tijden



Met de sneeuw verdween ook de echte geborgenheid van de eerste week van het nieuwe jaar. In het grijze, dooiende en al snel weer groene park was het uit met de winterpret. De toekomst werd beetje bij beetje zichtbaar, het niemandsland werd voorzichtig ingevuld met coördinaten. 
Wel was ik nog steeds in de ban van die roes, die zoveel productiever was dan de bedwelming van de feestdagen: mijn compositie in wording slokte me op. Het aanvankelijke idee, een "glanzende kiemcel" om met S. Vestdijk te spreken, groeide uit tot wat toch wel een kleine cantate genoemd mag worden. Ik haastte me om zoveel mogelijk te profiteren van deze bui van scheppingsdrang; de buitenwereld klopte al aan de deur en verzocht om mijn inbreng, voordat het zover was moest ik in elk geval alle koorpartijen op papier hebben. 
Ik maalde, overeenkomstig een van mijn voornemens, niet om het nieuws; dat heeft me genoeg dwarsgezeten de laatste jaren. Ik begreep dat de oranje clown nu echt alle redelijke proporties uit het oog aan het verliezen is. Maar er is één vaderlandse militair naar Groenland gestuurd, de clown zal sidderen in zijn Capitoolse bed. Verder probeerde ik mijn ogen en oren zoveel mogelijk te sluiten voor wat er tot me doordrong uit de boze buitenwereld. 
Vriend Robert postte een gedichtje op Facebook van Brian Bilston. Ik kende hem niet, het bleek een pseudoniem van Paul Millicheap te zijn, geboren in 1970 te Birmingham. Deze Poet Laureate of Twitter publiceerde online poëzie, vooral light verse, die hem 400.000 volgers opleverde. Die populariteit leidde tot reguliere, papieren uitgaven. 
Eergisteren deed ik mijn middagdutje met de katten maar mijn brein stond na een morgen componeren nog te veel aan om weg te dutten bij het beschouwen van de wolken die langs het raam dreven. Ik herinnerde me het gedichtje dat mijn vriend had gepost, hem, en ook mij, uit het hart gegrepen. Ik deed een vertaalpoging die ik me voornam later te zullen verfijnen.

Gebed voor oninteressante tijden

Geef me een geen-nieuws-dag,
Een ingetogen dag,
Met niets in 't bijzonder in zicht
Dan de tijd die verstrijkt,
Een glas dat leeg blijkt,
Een herhaling van Flikken Maastricht.

Gun me een goed-nieuws-dag,
Een ik-heb-geen-mening-dag,
Een dag die alleen wordt besteed
Aan tijd met zijn twee,
Wat lokale teevee,
Een dag die je snel weer vergeet.

(Prayer for Uninteresting Times, Brian Bilston)

                                                                     *

Met Ierse nachten heeft Vestdijk bepaald niet zijn beste boek geschreven, al waren tijdgenoten een andere mening toegedaan: er werd zelfs gesproken van "zijn absolute meesterwerk". Mij kon het boek in elk geval niet erg boeien, het eerste boek van deze wonderlijke schrijver waarover ik dat moet zeggen. De materie, het Ierland van de negentiende eeuw, zwaar zuchtend onder het Engelse juk, ben ik ontgroeid. Magie, folklore, whiskey en Keltische romantiek bekoorden me mateloos toen ik decennia jonger was, nu is dat niet genoeg om een roman te kunnen dragen. De schuld ligt misschien bij de hoofdpersoon. Door de ogen van deze opgroeiende jongen zien we alles gebeuren zonder dat hijzelf gestalte krijgt. Reisgids Vestdijk had zoveel te melden, zoveel couleur locale te schilderen in taal, dat hij aan de invulling van de protagonist niet toekwam, die blijft een lens waardoor we de gebeurtenissen waarnemen, niet veel meer. Dat maakt dat de lezer niet erg betrokken raakt bij het fictieve Ballyvourney en zijn inwoners. De moeder van de jongen, een tragisch personage in haar gefrustreerde talent en haar betrokkenheid bij het arme, onderdrukte dorp, komt beter uit de verf maar de roman is te fragmentarisch om haar drama voelbaar en aangrijpend te maken.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom ik zo laat, pas in mijn negenenzestigste levensjaar, een Vestdijk-lezer ben geworden. Vanmiddag, wandelend door de lenteachtige straten, nadat ik in de weggeefbieb in de Ter-B.-straat maar liefst drie boeken van hem had gevonden, viel me een voorzichtig antwoord in.
Vroeger had ik geen boodschap aan die manische woordenvloed, aan die openingspassages die rumoerig met de deur in huis vallen; ik wilde boeken die begonnen met Er was eens of In het jaar 18.., in de goede stad A., ik zocht in mijn boeken een bezonnen oordeel over de wereld, ik hield van de maximen van de wijzen, waaraan ik me kon vastklampen als het leven me te chaotisch was. Nu ik tamelijk oud aan het worden ben en enige wijsheid heb verworven (haha, jaja) verlang ik van een boek soms dat het me drenkt in de wilde levensstroom. Overzicht en geruststellende routine heb ik al genoeg in het echte leven, in mijn literatuur wil ik iets anders: weer jong zijn, desnoods ten koste van mijn gemoedsrust. 

vrijdag 9 januari 2026

IJsvrij, Bruch en Frost

In het park zag ik kindjes die op een gierend sleetje voortgetrokken werden, flink ingepakt, met rode wangen; die zullen later, over twintig, dertig jaar, zeggen, net als wij dat doen: in mijn jeugd sneeuwde het altijd. 
Ik maakte deze week opnieuw kennis met een heel oud fenomeen: ijsvrij. De besturen van mijn beide koren vonden het niet verantwoord om 's avonds naar de repetitie te gaan. Kwieke mensen, die zangers, maar op leeftijd, en hardnekkige fietsers, anders dan hun dirigent; en die malle maar verstandige helmpjes beschermen je niet tegen een gebroken heup. 
Zo werd het een week zonder afleiding van buitenaf. Ik kon me helemaal wijden aan het componeren van nieuwe muziek, een klein requiem op teksten van onder meer Rimbaud, voor de aanstaande dodenherdenking. Mijn dagelijkse wandeling door het park was vooral woensdag sprookjesachtig mooi. Maar zelfs toen het gisteren flink ging dooien bleef het sneeuwdek ginds onverlet, door de koude ondergrond. De vogels hadden honger, er werd flink gekrijst. Ik hoopte maar dat de roerdomp en de ijsvogels nog een wak konden vinden.
Na die welbestede dagen trok ik me terug in de veilige kuip van mijn oudroze zetel. Ik betreurde het wel een beetje dat ik uitgerekend nu, in deze zeldzame omstandigheden, geen sfeervol glas wijn of nog liever cognac kon drinken; eigen schuld: als ik een wat matiger mens zou zijn hoefde ik me na de feestdagen niet zo te straffen met strenge onthouding en kon ik met gerust hart een uitzondering maken.
Ik herinnerde me hoe mijn vriend E. en ik vele jaren geleden in de huiskamer van zijn ouderlijk huis (de ouders waren blijkbaar elders) op meeslepend volume het vioolconcert van Bruch hadden gedraaid. We dronken er cognac bij. Buiten woedde een sneeuwjacht en we waren romantisch gestemd. De oude, dikke kat, die van E.'s vader aan tafel mocht zitten en lekkere hapjes rosbief of vis toebedeeld kreeg, hoorde er niet van op, van die luide violen; hij sliep rustig door. Maar als er iets tikte in de potkachel spitste hij alert de oren; wij verwonderden ons daarover. Selectief luisteren, het buitensluiten van als onwenselijk beschouwde geluiden -  is dat hoe je met tinnitus moet leren omgaan? Mijn eigen oorsuizen was aan het eind van de decembervieringen op schrikbarend hoog niveau geraakt, parallel met het opgejaagde ritme van mijn hart. Al na een paar dagen sober leven werd het suizen weer normaal, een schelp vol wind en branding, en ook het hart hervond zijn gewone slag.
Ik herinnerde me nog een avond met vriend E., die net als ik door de kunsten gefascineerd was: deze avond was bij mij thuis, in Slotermeer, ook mijn ouders waren uithuizig. Het moet een paar jaar voor die sneeuwavond zijn geweest. We zaten aan de eettafel en tekenden met pen en Oost-Indische inkt. E.'s tekening heette Des pas sur la neige, naar de pianomuziek van Debussy die op stond. Of het die avond ook sneeuwde weet ik niet meer, misschien is de associatie uitsluitend op rekening van de muziek te schrijven. Ik vraag me af of hij die tekening nog heeft; de mijne, Glupo de Zeebold genaamd, bezit ik nog. 
Bij gebrek aan stemmige drankjes ontspande ik me na de arbeid met de televisie. Vier dagen exact dezelfde programma's op NPO2 en NPO 2 Extra, afgerond met een half uurtje luit spelen en de lezing,  in bed, van Vestdijks Ierse nachten en iedere avond een verhaaltje uit Dubliners van James Joyce als slaapmutsje.
We lieten de kerstboom nog maar even staan. Jammer dat de timing van dit winter wonderland niet beter was gedaan door de Natuur.
Wel dik in orde was de timing van het verschijnen van mijn nieuwe bundel vertalingen. Frost, Robert Frost. Toen ik vanmiddag op weg ging naar Lokaal 't Loosje waar ik uit handen van uitgever Jaap Schipper het eerste exemplaar zou ontvangen, regende het nog, een kille, miezerige regen. Op de terugweg joegen dikke vlokken sneeuw wanordelijk door de asgrijze lucht, de eerste bleven alweer liggen op bomen en autodaken. In de tram keek ik beurtelings naar de door Breitner geënsceneerde stad en naar de prachtig bedrukte bladzijden van het in terracottakleurig papier ingenaaide boekje. Het komt binnenkort officieel uit. Als u interesse heeft, laat het me gerust weten. 

Robert Frost:
Aan de wind die dooi brengt
Gedichten gekozen en vertaald door Jan-Paul van Spaendonck
Statenhofpers, Den Haag


vrijdag 2 januari 2026

RAMPTOERISME


Op Nieuwjaarsdag was ik rusteloos. We hadden een goede jaarwisseling gehad, traditioneel geëindigd met bubbels, hapjes en oude videoclips - gelukkig waren de Les Humphries Singers er ook weer bij (Mexico!!!!). De dag begon met de oliebol die ik op Oudejaarsavond wegens overbelasting van de maag had versmaad. Wat nu te doen? Ik ben de eerste dag van het jaar gaan beschouwen als een onbezorgde feestdag, mijn favoriete dag misschien wel. In mijn geboortestad puilen cafés en restaurants dan uit, vol opgelucht volk dat eensgezind de kater wegdrinkt; vreemden spreken je aan, iedereen zit in hetzelfde schuitje, de volgende dag is alles weer normaal maar nu is het nog feest. De druk is van de ketel, er hoeft even niets meer, behalve zo goed mogelijk herstellen van de vorige avond. 

Hier in de polder was alles potdicht. Horeca, voor zover die er is, opent pas op 2 januari zijn deuren. Zelfs de supermarkt is gesloten. Iedereen zit thuis, kijkt Weense walsen, Netflix of schaatsbaantjes, likt zijn wonden en bereidt zich voor op de eerste werkdag.
Ik voelde, naast die ongedurigheid, een onzekerheid: we hadden het er nog niet over gehad; hoe zou het vallen als ik mijn vriendin voorstelde om net zoals anders naar Wildschut te gaan voor bitterballen en haren van de hond en daarna naar de buurtpizzeria voor een groot bord tagliatelle alla bolognese, om de avond thuis te besluiten met oude, liefst eigen cd's, alvorens comateus te bed te gaan, helemaal toe aan de reinigende soberheid van januari? Zou ze niet liever thuisblijven, blij om eens niet aan mijn geliefkoosde ritueel te hoeven meedoen? Ik had geluk dat het hard woei en flink regende, ijsregen nog wel: een wandeling zat er nu niet in.
Ze streek over haar hart en via stille binnenweggetjes reden we naar Amsterdam. Daar aangekomen was het ondanks die mooie omwegen nog wat vroeg voor het café. We brachten onze bagage boven, groetten mijn dochter, wisselden verhalen uit over de avond ervoor, en besloten een rondje Vondelpark te doen. Kijker mee, ik beloofde mijn vriendin haar de roerdomp te laten zien. Daarna konden we ook even ramptoerisme bedrijven en de afgebrande Vondelkerk gaan bezichtigen.


Het was koud en modderig maar droog. De roerdomp was zo goed om zich te laten zien. Als voorafje kregen we een zwerm staartmeesjes (misschien wel mijn favoriete vogelsoort) en twee nerveuze vuurgoudhaantjes, eentje streek bijna op mijn ijsmuts neer.
De omgeving van de Vondelkerk was afgezet maar we zagen toch wel hoe enorm de schade was; ik hoop van harte dat ze de monumentale schepping van Pierre Cuypers gaan restaureren. Wat in Parijs kan, moet hier toch ook kunnen. 
Terug in het park - de lucht was dreigend duister geworden - kwam er een bak hagel op ons neer. We haastten ons naar het Blauwe Theehuis, dat als Elronds Laatste Huiselijke Huis feeëriek en vriendelijk oplichtte in het kale park. Daar heerste een hipstersfeer die ik vandaag goed kon hebben, in de mildheid die ik jegens de wereld en de mensheid voelde. Er werden bordspelletjes gedaan, tafelvoetbal, Mens erger je niet! Bakjes friet voor de kinderen, gemberthee en bier van Brouwerij 't IJ voor paps en mams. 
'Ik wil toch ook nog even naar Wildschut,' zei ik toen mijn IJndejaarsbier (9 %) op was. Het was inmiddels weer droog.
In mijn stamcafé van weleer waar ik dagelijks de krant las en koffie verkeerd dronk en door het personeel 'de man met het pijpje' werd genoemd, voor Covid de routine veranderde en de wandeling door het park in plaats kwam van het cafébezoek, was een tafeltje vrij in het achterste gedeelte, het intieme, met de zachte zetels. Ik ken daar niemand meer maar we werden meteen bediend. Aan de tafel naast ons zat een van de bedienden van toen, een aardige jongeman die me de eerste koffie van het nieuwe jaar altijd gratis schonk en me een kaart met persoonlijke nieuwjaarswensen gaf. Hij had een klein meisje op schoot. We gaven elkaar een hand en praatten wat. De bitterballen waren weer opvallend goed, zeker als je ze vergeleek met de bitterballen die we de dag ervoor in de bioscoop van Hoorn hadden gegeten, waar we de zwarte komedie De laatste Viking hadden gezien. 

In de buurtpizzeria, die in The Rough Guide of zoiets moest staan, want het zit er altijd vol met jonge buitenlanders die op de bescheiden prijzen afkomen, was de baas, normaal een zwijgende, somber uitziende man, eerder Turks dan Italiaans, al heb ik het hem nooit gevraagd, in een opvallend jolige bui. Misschien had zijn therapeut hem gezegd dat hij wat minder onderdanig moest zijn, je weet het niet. Hij berispte me om het gebruik van het woord 'karaf'. Dat was een liter, haha, dit halfje mocht die naam niet hebben. De bruschette met rauwe ui en tomaat zette hij zonder commentaar neer maar mijn bestelling voor het hoofdgerecht trok hij in twijfel. Tagliatelle... met bolognesesaus? Is dat lekker? Dat hoort niet, het hoort met penne. Ik ging er maar niet op in maar haalde mijn gelijk tegenover mijn vriendin, die carbonara at (met room!): tagliatelle is de oorspronkelijke pastasoort bij deze saus, zo heb ik het zelf kunnen constateren in Bologna. Volgens de Italianen bestaat er niet eens zoiets als spaghetti bolognese, laat staan dat je er penne mee serveert.
Een grappa met espresso toe. Misschien om mijn lacherig aangevochten eer te herstellen gaf ik een ruime fooi.

Thuis draaiden we nog onze kerst-cd van negen jaar geleden, waarop mijn gestorven vriend G. zingt. Zijn warme, gruizige stem trof me onverhoeds en ik was in tranen voor ik het wist. Dat voelde bevrijdend en bevrijding is wat je zoekt op Nieuwjaarsdag.

Voorheen Rookzanger wenst jullie allemaal een mooi, vredig, gezond en zo mogelijk gelukkig 2026 toe!