vrijdag 23 oktober 2026

LESSENAAR



Op mijn lessenaar, een ruw getimmerd geval van goedkoop hout dat uit de inboedel van een kerkkoor afkomstig is, staat een verzameling papieren die in de loop der tijd zo gegroeid is, en geen ander doel dient dan mij een plezierig gevoel te geven. Een geplastificeerde aankondiging van Schuberts Schwanengesang, fraai ontworpen door mijn vriend Ger, met de tekst Lennaert Nijgh leest, Jan-Paul van Spaendonck zingt, Jan van Spaendonck speelt; een flyer voor La Vie Parisienne, mijn tweede voorstelling als dirigent bij operettevereniging Thalia; de bladmuziek in roze kaft van Chanson de la mort de Don Quichotte van Jacques Ibert; een schets in houtskool van mijn duo La Passione, tijdens een optreden gemaakt door Carla Baarspul; een ingelijste foto van mij en mijn vader achter de piano, waarschijnlijk genomen in 1986, in de Jasonstraat. Te veel namen op dit vuren altaartje hebben betrekking op personen die niet meer onder ons zijn.
Deze week had een leerling de vellen op tafel gelegd om haar eigen bladmuziek op de lezenaar te plaatsen. Ze had alles keurig teruggezet maar omdat de ordening nét anders was dan ervoor keek ik met frisse blik naar het geheel. Ik dacht aan mijn vader, aan Lennaert, aan Ger. Mijn vader is volgende week tien jaar dood. Ger ook alweer vijf jaar. Lennaert maar liefst vierentwintig jaar. Ger en Lennaert waren een dag na elkaar jarig, eind januari, onder het Teken van de Waterman.
Thalia, de Amsterdamse muze waar mijn vader ook nog eens als invaller heeft gewerkt, stopte in 2022 na 106 jaar met ademen en zingen.
Buiten trok de wind aan. De Wilde Jager was nog niet op pad door het luchtruim met zijn bloeddorstige gevolg maar het scheelde niet veel. Mijn gedachten namen een vertrouwde loop, die met het ouder worden alleen maar vertrouwder wordt.
Hoho! Ik dacht bijtijds aan mijn vriendin die onlangs nog zei, dat je zulke doemscenario's niet klakkeloos hoeft te aanvaarden, dat je ze een beetje kunt ombuigen, dat je niet willoos overgeleverd bent aan je negatieve gedachten: een beetje tegengas kan een mens toch wel geven. Een versje welde in me op. 

Alles gaat voorbij, maar in 't voorbijgaan
Komt er heel wat moois op onze weg. 



Illustratie: "
De Walkure' (1865) van de Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831-1892)

vrijdag 16 oktober 2026

DEELDRANG

Afgelopen zondag werd het me, om redenen die er voor dit verhaaltje niet toe doen, duidelijk, zonneklaar duidelijk, dat ik iets aan mijn telefoonverslaving moest doen. We zaten aan tafel in het dijkhuis van mijn vriendin. Het begon al te schemeren. De kinderen plukten onder haar leiding brandnetels in verwilderde hoeken van de tuin om daar soep van te maken. Het landleven.
Ik luchtte mijn hart, over mijn sterk toegenomen nervositeit, het ziekelijk haken naar prikkels, de FOMO en de andere ellende die de geweldige moderne techniek ons heeft gebracht. Mijn zoon hoorde mijn klachten aan en vertelde hoe hij er zelf mee omgegaan was. Hij was overgegaan op een dumbphone, op ouderwets bellen en sms'sen, op alleen de hoogstnodige communicatie. Een smartphone had hij wel maar die lag thuis. Die mocht niet mee als hij ging wandelen, niet mee naar bed. Hij keek er op gezette en streng gelimiteerde tijden naar. WhatsApp had hij op zijn laptop geïnstalleerd.
Na soep, stokbrood en pizza ging de familie naar huis. Ik probeerde op de bank nog iets van Dwars door de Pyreneeën en Metropolis mee te krijgen maar een grote vermoeidheid maakte een vroeg bed noodzakelijk.
De volgende morgen vroeg al appte mijn zoon. 

. Telefoon niet mee naar bed
. Telefoon op vaste plek in huis (niet naast je)
. Telefoon niet meenemen tijdens wandelen
. Tijdens TV kijken niet óók telefoon
. In gezelschap: telefoon in zak of tas
. Vaste momenten waarop het wel mag
. Onnodige apps die extra onrust geven verwijderen
. Mindful zijn met deeldrang
. Niet neurotisch van elk leuk moment foto nemen maar even bewust stilstaan en kijken naar het leuke moment
(hier voegt zoon een smiley met uitgestoken tong toe)
. Als iemand niet snel genoeg reageert naar je zin, even bellen 

Bij dat bellen plaatste ik een vraagteken. Ik ben geen groot beller, nooit geweest. Maar vooral die 'deeldrang' wreef zout in een wond. Ik ben lang zo erg niet als andere verslaafden maar dat is geen excuus. Ik beloofde instant beterschap. 

Vier dagen later bespeur ik eigenaardige maar noodzakelijke afkickverschijnselen. De eerste dag op mijn bankje in het Vondelpark zonder mails, Facebook, Google, foto's, appjes en Wordfeud was kaal en onwennig. Geen aanvullende informatie kunnen googelen bij wat de tv me vertelde voelde raar. Ik troostte me met de gedachte dat ik al die dwangmatig verzamelde informatie zelden onthoud: hoe heette de eerste man van die en die nieuwslezeres ook weer? Je kunt het net zo goed niet opzoeken. Een nachtkastje zónder ging makkelijk maar misschien waren mijn slechte nachten vol nachtmerries geen toeval. 
Vanmiddag zat ik aan de Reijnier Vinkeleskade (wie dat precies was hoefde ik gelukkig niet meer op te zoeken). Ik had drie boeken van Vestdijk gescoord in de boekenpoort aan de Gerard T. straat. Er scheen een milde oktoberzon. Vier soepganzen (de grootste zuiver wit, de andere met wat grijze veren) waggelden nasaal mompelend om me heen. Ik zag hoe ze om hun kleine blauwe ogen een oranje ringetje hadden in de kleur van hun snavel en zwemvliezen. Behoedzaam zoals ganzen zijn plukten ze wat gras terwijl de grootste naderende honden in de gaten hield.
Mijn hand tastte naar mijn telefoon. Vestdijk moest erop, en de ganzen. Een gedenkwaardig moment! Dat gedeeld moest worden!
In plaats daarvan richtte ik mijn aandacht op de rimpelingen in het water en op mijn ademhaling. Mediteren was er ook veel te weinig van gekomen de afgelopen tijd.
Een halfuur later (of zoiets - ik had geen horloge) zag ik dat de ganzen nog steeds rondom mijn bankje stonden. Die roerloze, telefoonloze man waren ze als een onschuldig deel van het stadslandschap gaan beschouwen.


vrijdag 9 oktober 2026

TUIGHUIS


De serveerster van café De Volder zei hebbie in plaats van 'heb je' en: ik gaat. Het zangerige hih dat Delvenaars zeggen in plaats van hè als ze je niet verstaan hebben of aan het vragende eind van een korte mededeling, maakte het af. Mijn oma aan het woord, mijn oma als jonge vrouw. Mijn vriendin raadde mijn sentimenten toen ze vroeg: 'Wil jij eigenlijk niet liever in een kleine stad wonen?'
Ik kon het niet ontkennen. 'Ja,' zei ik, 'Haarlem, Dordrecht of, inderdaad, Delft. Eigenlijk hoor ik hier thuis. Zo voelt het ook. Generaties Wijnmaalen en Grabijn hebben hier rondgelopen. Ik heb me veel te veel blindgestaard op het Tilburgse, het Van Spaendonckse in me. En zelfs aan die kant zit Zuid-Hollands bloed! Mijn vader had een tante Marietje die uit Dordt kwam. En mijn oma Jet kon in haar voorgeslacht bogen op de regentenfamilie Van Mierop, die onder meer, eind 18e eeuw, de burgemeester van Rotterdam heeft voortgebracht.'
Er was hier in Delft - dat had ik vandaag gezien - zelfs een Brabantse Turfmarkt. Kortom: wat moest ik nog in dat perfide Amsterdam, waar mijn beide opa's door beroepsomstandigheden kwamen te wonen, als het ware in ballingschap: niks toch, hih?

Toen we zeventig werden en een feestje gaven wilden we geen cadeaus. Geen spullen althans, die hebben we al veel te veel. De gasten negeerden die bescheidenheid maar losten het creatief op. Er was op naam van ons een perceeltje gekocht in een natuurgebied, dat we op die manier sponsorden. We kregen kaarten voor voorstellingen naar keuze. Een tegoedbon voor een high wine in een luxe hotel in Delft. Het is oppassen zulke beloftes niet te laten verjaren. Er is altijd wel iets dat de verzilvering in de weg staat. Maar toen er een koorrepetitie uitviel, afgelopen woensdag, leek dat een mooi moment voor een feestelijk middagje in de stad van mijn moeder. Het was de laatste nazomerse dag, mijn bijholteontsteking liep op z'n end. Op naar het Arsenaal!

Deze voormalige opslag van vuurwapens, kanonnen en munitie, een tuighuis dat na de oorlog ironisch genoeg als gevangenis diende voor collaborateurs (dit werd op de toeristische plaquette niet vermeld), is een markant gebouw, schilderachtig gelegen op een schiereiland tussen de grachten Oude en Nieuwe Delft; we werden er onder de enorme houten steunbalken vriendelijk en vakbekwaam ontvangen. Geen accent hier, zoals op straat.
Er hing een prijskaartje aan, dat rook je aan alles, maar de kwaliteit in aanmerking genomen, zowel van de hapjes (twee gangen, koud en warm, samen net genoeg voor een licht avondmaal) als van de drankjes (mooie, zorgvuldig geselecteerde wijnen, desgewenst zonder alcohol) vond ik het toch niet duur; alles was net iets beter dan gemiddeld en de prijs - zag ik later op hun website - was nog onder het gemiddelde voor dit soort verwennerij. Het glaasje grappa chardonnay dat ik buiten het arrangement om bestelde als digestief was met zijn 12 euro relatief het duurst.
Maar goed, dit is geen recensie! Het was een geslaagd verjaardagscadeau, dat wou ik maar zeggen; bedankt, gulle gevers! 

Eenmaal buiten in de nog vroege en zoele avond kon ik de verleiding van een laatste glas in Delft niet weerstaan. Op een terrasje aan het Vesteplein laafde ik me nog eens aan het zangerige accent en maakte ik woeste plannen om te gaan verhuizen, terug naar opa en oma. Kon dat nog, met zeventig? Mijn vriendin vond van wel.
Onderweg naar huis begon het stevig te regenen. De herfst was begonnen. 


zaterdag 3 oktober 2026

DRINKLIED


Het onverwachte kan er plotseling zijn,
En boven ons bedisselt het Toeval de zaken.
Daarom, mijn jongen, breng ons je lekkerste wijn!

Quod non expectes ex transverso fit,
Et supra nos Fortuna negotia curat.
Quare da nobis vina Falerna, puer.

Gaius Petronius Arbiter (27-66)
Satyricon, hoofdstuk LV
Copyright vertaling JPvS

Illustratie: Roberto Bompiani (1821-1909) 

vrijdag 2 oktober 2026

VOORONDER


Under the weather
schijnt een zeemansterm te zijn. Matrozen die zeeziek waren werden benedendeks neergelegd, dichter bij het centrum van het schip, waar ze minder last hadden van de schommelingen. Weather is hier kort voor weather deck, het bovendek dat blootgesteld is aan de elementen.
Aldus AI. Klinkt plausibel, nietwaar?
('Ja, klinkt, Van Spaendonck, klinkt...', zoals de leraar geschiedenis van mijn vader bedachtzaam knikkend zei, als Marx of Schopenhauer ter sprake kwam en mijn vader zijn vinger opstak en het waagde een ander gedachtengoed dan het traditioneel katholieke te verdedigen. Dat was voldoende repliek: klinkt... - discussie gesloten.)

Ik was deze week onder het weder. Ook doodgewoon ziekjes zijn is onderhevig aan hypochondrie. Mijn verkoudheid ging gepaard met een zeurend gevoel in de linker bijholte, terwijl, vreemd genoeg, het eigenlijke snotteren het nogal liet afweten. Wel had ik steeds een lichte verhoging.
Begrijp me goed. Ik ben niet bang voor een koutje. Maar een verleden met kaakproblemen maakte me onrustig. Ik herinnerde me de kloppende zwellingen onder mijn twijfelachtige kronen waarvan ik vurig hoopte dat ze een onschuldig bijverschijnsel waren van een virusje. Soms verdween het inderdaad vanzelf, kloppen en zwelling, maar meestal eindigde het met apex resectie, wortelkanaalbehandeling of extractie van het zieke element. 
Sinds ik een uitgebreide parodontologische behandeling heb ondergaan waan ik me onkwetsbaar voor dit soort narigheid. Alle risicofactoren zijn immers uit mijn gereduceerde gebit verwijderd?
Alle, op een na dan toch. De kies linksboven, die de paleontoloog heeft aangemerkt als geparkeerd: voorlopig nog maar even laten zitten, maar in de gaten houden. En pál boven die geparkeerde kies zeurde het. Niet erg, en er was geen bobbel voelbaar, maar tóch. Ik hield mezelf, gebit en verkoudheid, angstvallig in de gaten en werd niet moe de temperatuur op te meten: bleef die ruim boven de 37, dan was dat goed, want dat duidde op een kou; een ontstoken kies zou toch niet zo snel de lichaamstemperatuur doen stijgen?
Op de derde dag begonnen mijn ogen te branden. Het was warm buiten, erg warm voor de tijd van het jaar, en de hitte drukte op mijn doffe schedel. En mijn neus begon te lopen, onmiskenbaar. Ik voelde me slap en moe en zweterig. Maar het kloppen was nagenoeg weg. Van niezen en hoesten was nog steeds geen sprake. Ik kon naar mijn koor, opgepept door koffie en paracetamol. Glimlachend ging ik slapen, veel te vroeg.
Zo kun je blij zijn met een gewone verkoudheid als je op iets ergers hebt gerekend.

Ik herinnerde me wat mijn dochter zei toen we afgelopen zondag zeearenden zaten te kijken aan de Oostvaarderplassen. Hoe snel je pijn en ongemak vergeet als ze eenmaal voorbij zijn. Mensen die meelevend vragen: 'En, hoe is het nou met je?' En jij die fronsend in je geheugen tast en er, na een zetje in de goede richting, luchtig uitbrengt: 'O, dat. Dat is allang weer over.' 


vrijdag 25 september 2026

BOEKENCLUB


Vakbroeder X blogde over zijn verslaafde zoon en over de zwaar tekortschietende verslavingszorg hier ter stede. Ik was ontdaan door wat ik las en stuurde hem een bericht waarin ik hem met de beste bedoelingen praktische raad gaf, puttend uit mijn eigen rijke ervaring. Normaal zou ik er niet aan denken om een vreemde daarmee lastig te vallen, maar we waren al in App-gesprek over iets heel anders, dus ik waagde het erop.
Daarna hoorde of liever gezegd las ik niets meer van X. Ook niet toen ik voorzichtig aandrong op een antwoord in zake ons oorspronkelijke gespreksonderwerp. Opgelost in ijle lucht; ghosting schijnt dat in modern jargon te heten. Het liet mij achter met een knagend gevoel: had ik iets fout gedaan, de fatsoensregels overschreden? Ik zette het van me af maar begrijpen deed ik het niet.

Mijn zuster, eveneens blogger, vroeg me wat ik deed met teksten over mezelf die wel erg onthullend zijn. Durfde ik die aan? Ik antwoordde dat ik op mijn blog intuïtieve maar duidelijke grenzen stelde aan wat wel en niet de openbaarheid in kon. Een blog is, als het over persoonlijke zaken gaat, vaak vooral gezellig en moet ook door wildvreemden gelezen kunnen worden. Het is alsof je in restaurant of café de tafel entertaint met verhalen, de omstanders mogen gerust meeluisteren. 
Wil je als auteur meer van jezelf kwijt, wil je - ik noem maar wat - over je seksleven of andere fysieke intimiteiten schrijven, dan is een column niet het meest geschikte medium.
Behalve natuurlijk, als het een specifieke doelgroep betreft: het viel me decennia geleden al op hoe preuts onze tijd is geworden vergeleken met de jaren waarin ik groot ben geworden - alleen in de medische rubriek mag je nog over je intieme delen schrijven, en dan juist liefst zo gedetailleerd en openhartig mogelijk! Preuts, onze tijd, behalve in afgebakende gevallen, en dan scháámteloos. Spuiten en slikken. De porno-industrie waarin je sans gene kunt werken zonder jezelf naar de zelfkant van de samenleving te verbannen. Het intieme is geprofessionaliseerd.
Terug naar blogs. Wie daarin verder wil gaan dan gezellige (herkenbare!) verhaaltjes uit het dagelijks leven, liefst opgetekend met zelfspot en voorzien van een happy end (nee, géén happy ending) als kers op de taart, die moet maar een boek schrijven. Een roman bedoel ik.
Ik ben in die paar romaneske werkjes die ik heb geschreven een heel stuk verder gegaan dan ik op deze plaats zou doen. Nog niet ver genoeg misschien om een echte grotemensenschrijver te zijn, zoals mijn zus dat noemt, maar voor mij was het al heel wat.
Waarom daar dan wel en hier niet?
Het omslag van een boek omhult een intieme ruimte waarin compromisloze openheid heerst. Wie het boek aanschaft krijgt de sleutel en wordt lid van een privéclub. Wie niet betaalt maar zonder lid te zijn het boek openslaat doet dat op eigen risico. Hij of zij is een gluurder en de schrijver hoeft met gluurders geen rekening te houden en hoeft zich dus niet te schamen voor uitgelekte geheimen die hij met zijn clubleden heeft gedeeld. Zo is de afspraak tussen lezer en schrijver. 

X heeft sinds die genegeerde goede raad van mij nooit meer over zijn zoon geblogd. Misschien heb ik hem de ogen geopend? Wij bloggers worden gelezen en gehoord. Dat betekent verantwoordelijkheid, en verantwoordelijkheid is eng. 


Illustratie: 'Amsterdam, the Red Light District', Leonid Afremov (1955-2019)


vrijdag 18 september 2026

TOONDERMANIA


Op zaterdag 19 juli 1997 kwamen we met de veerboot vanuit Holyhead, Wales, aan in Dublin. We reden naar onze eerste stop, een B&B in Greystones. Ik had een schilderachtig plaatsje verwacht maar het bleek er nogal posh en prozaïsch te zijn, hoewel er een roze volle maan boven de rotsen en de zee scheen en de penetrante geur van een afvalvuur vanuit een ommuurde tuin walmde. De gastvrouw vertelde me dat meneer Toonder en zij praktisch buren waren. Om de hoek, een paar huizen verder, in de hooggelegen Church Lane, lag Eyrefield Lodge, waar mijn jeugdheld sinds 1965 woonde: een kapitale villa in een grote beboste tuin. Maar meneer Toonder was a very private person, zei ze waarschuwend. Dat haalde een streep door mijn overmoedige plan, hem de hand te gaan schudden. Ik ben altijd blij geweest met die beslissing, vooral toen ik later meer van de man Toonder ben gaan begrijpen. Het was natuurlijk leuk geweest als we hem toevallig waren tegengekomen, tijdens ons avondwandelingetje onder de roze maan. Ik had dan hoofs kunnen buigen en wie weet waren we aan de praat geraakt.

Mijn Toondermanie begon in mijn vroege jeugd, toen ik de Bommelverhalen in de Donald Duck eigenlijk mooier en vooral geheimzinniger vond dan de strips van Disney. Een hele wereld ontvouwde zich voor me toen ik op tweede kerstdag 1968 (we waren bij opa en oma in de Rijnstraat op bezoek en mijn vader en ik ontvluchtten even de stoffige feestmiddagsfeer) in boekhandel Favié Geld speelt geen rol zag liggen. Ik kon niet wachten tot de winkel weer openging. Van het bestaan van de krantenstrips met tekststroken had ik niets geweten, en nu bleek er zelfs al eerder een bundel met die Tom Poes-verhalen 'voor volwassenen' te zijn verschenen, Als je begrijpt wat ik bedoel (1967). Ik kon mijn geluk niet op - wat een weelde!
Ik werd een gretig lezer, een navolger - met pen en Oost-Indische inkt probeerde ik dezelfde sfeer als Toonder op papier te krijgen - en toen ik in de vijfde gym een scriptie moest schrijven voor Nederlands lag het voor de hand dat die over Toonder ging. Als ik dat werkstuk van 22 dichtbeschreven foliovellen nu doorblader valt het me op hoe weinig er toen openbaar was over de gang van zaken in de Toonder Studio's. De mythe van de alleskunner Toonder werd zorgvuldig in stand gehouden en het zou nog jaren duren voor voorzichtige geruchten de wereld in sijpelden over mogelijke assistenten - want één man kon dat toch niet allemaal zelf doen?
Nee, dat kon niet. Toonder gaf dat zelf zuinigjes toe. Maar die Tom Poes-verhalen, die deed hij allemaal helemaal alleen!

In mijn volwassen jaren bleef Bommel een vaste waarde. De verhalen waren blauwdrukken voor situaties in de echte wereld. Het archaïsche idioom was in het mijne gekropen. Op gezette tijden overviel me de lust om de veilige fantasiewereld van de oude verhalen op te zoeken. Ik vond daar zelden wat ik er zocht. De kindertijd wordt niet teruggevonden door de souvenirs ervan te betasten. Dénken aan die souvenirs, dat geeft even een magische glimp van het verloren paradijs. De verleiding is groot om de boeken open te slaan - om ze vervolgens, glimlachend maar licht teleurgesteld na een bladzijde of wat weer dicht te doen. Pas veel later leerde ik om de verhalen zonder te hoog gespannen verwachting te herlezen, gewoon, om het plezier in tekeningen, taal en verhaal.

Hoe ze tot stand waren gekomen, die verhalen, werd in de loop der tijd steeds duidelijker. Namen vielen, Ben van 't Klooster, Piet Wijn, Fred Julsing, Dick Matena. Assistenten deden het voorwerk, schetsten de plaatjes, Toonder inkte die met penseel en inkt, nadat hij had gecorrigeerd en gegumd waar hij dat nodig vond. Hij hield de supervisie en zette zijn handtekening. Het was ZIJN creatie en dat bleef het, hoeveel tekenaars en schrijvers hem ook terzijde hadden gestaan.
Dit vond ik allemaal nog wel te begrijpen. Het was zelfs het begin van een nieuwe fascinatie. Want, als anderen aan de Bommelsaga hadden meegewerkt, wie dan precies, en waaraan, en hoe? Daar viel nog heel wat te puzzelen.
Minder fijn was de schok die de gebundelde correspondentie van Toonder en Matena te weeg bracht. Wat jij, jonge vriend (2009) gaf een ontluisterend beeld van de geniale dwingeland die Toonder was. Ik schreef er destijds dit blog over. 
Ik las het brievenboek drie jaar na publicatie. In datzelfde jaar 2012 kreeg ik met kerstmis van mijn koor de toen net verschenen biografie van Wim Hazeu, eenvoudig Marten Toonder geheten. Het was een prachtig uitgegeven boek, ruim 700 pagina's lang, met niet één maar twéé leeslintjes: een voor de tekst en een voor het uitgebreide notenapparaat. Ik was er blij mee maar zette het pronkstuk ongelezen in de kast naast de andere Toonder-boeken. De brieven aan Matena hadden een nare nasmaak achtergelaten en voorlopig had ik even genoeg van de mens Toonder. Zijn verhalen bleef ik gewoon lezen als die lust me overviel. Ik ging de diverse stijlen onderscheiden en noemde Piet Wijn mijn favoriete Bommeltekenaar.


Wat er de aanleiding van was dat ik een paar weken geleden de biografie van Hazeu na 14 jaar begon te lezen weet ik niet meer. Al snel was ik verslaafd. Had ik daarom zo lang gewacht? Zo'n verslaving slokt je op; mijn oude gepieker over de precieze toedracht van alles in Toonders leven en - vooral - zijn kunst begon weer en hield me soms uit mijn slaap.
Hazeu schreef een grondige, met documentatie stevig gefundeerde biografie die leest als een roman. Toonders leven leverde genoeg stof daarvoor - ook de driedelige autobiografie uit de jaren 90 heeft alle trekken van een romantisch epos. Maar Toonders uitgangspunt was een boeiende vertelling te maken en met de waarheid nam hij het niet te nauw. Hazeu blijft scrupuleus bij de feitelijke toedracht en levert desondanks een meeslepend verhaal af.

Tot mijn genoegen merkte ik dat de wrok tegen mijn tyrannieke jeugdheld, die ik sinds het brievenboek koesterde, al lezende begon te slijten. Jazeker, ook uit deze bladzijden steeg het op, het beeld van de moeilijke, grillige, ongrijpbare, egocentrische man, de man die volgens de flaptekstschrijver altijd minstens twee kanten heeft: de argeloze en de slimme, de realist en de magiër. Nuchtere Groninger met een Keltische fantasie, kluizenaar en charmante poseur, zakenman en visionair, wijsgeer en centenweger. Maar het levensverhaal bracht ook begrip voor de onaangename kanten van Toonder. Een jeugd met een afwezige vader (Marten senior, zeekapitein) en een afstandelijke, hypochondrische moeder die het gezin voortdurend deed verkassen zodat Marten nooit vriendjes kon hebben; een door Hazeu maar ook door Marten zélf benoemde autistische aanleg - zulke bagage maakt een normaal gezelschapsleven niet makkelijk. Toonder kon en wilde zich in andermans standpunt niet inleven, móest de dingen naar zijn eigen hand zetten maar wist dat zelden tactvol te doen. Het wekte ongeloof en verbazing dat een verlegen en charmante heer zo bot en lomp kon zijn en zo weinig genereus was voor zijn trouwe medewerkers. Alles draaide om Toonder en zijn onvermoeibaar vormgegeven andere wereld.

Nieuw voor mij was de woelige periode tussen zijn beide huwelijken in waarover Toonder zelf niet heeft geschreven. Phiny Dick stierf in 1990. In 1996 hertrouwde hij met componiste Tera de Marez Oyens die hij twee jaar eerder had leren kennen; ze was ongeneeslijk ziek en stierf al snel na de bruiloft. Men leze het aangrijpende Tera (1998). Na de dood van zijn eerste levensgezellin Phiny belandde hij in een zware periode. Hij leefde op toen hij benaderd werd door Sieglinde Mense, een 35-jarige gescheiden vrouw met drie jonge kinderen. Toonder was tachtig. Wat begon met fanmail en een naar Ierland gestuurde bos witte bloemen op zijn verjaardag werd een relatie. Zij vergezelde hem naar de gelegenheden waar een beroemd artiest geacht wordt op te draven, corrigeerde zijn schrijfsels (ze had taalwetenschap gestudeerd) en verdrong algauw zijn zoon Eiso als redacteur, vertrouwensman en zaakwaarnemer, tot diens verdriet. Ze stond op de loonlijst onder de noemer public relations. Toonder 'regelde' en kocht achtereenvolgens drie huizen voor haar en haar gezin, zodat ze rustig samen konden zijn als hij in Nederland was. Als je niet beter wist zou je denken aan een golddigger: rijk suikeroompje trekt grif de portemonnee. Maar dan wel een goudgraver met wie je over de zwarte kunsten kon praten. Uiteindelijk kwamen er scheuren in hun relatie. Wat die precies inhielden naast irritaties over en weer (Toonder stoorde zich aan de drukke zoontjes, die moesten de kamer uit als hij er was) wordt in Hazeus verhaal niet duidelijk; voor het eerst laten de bronnen het afweten: blijkbaar zijn er geen brieven van Linde bewaard; heeft Eiso die verbrand toen hij orde op zaken moest stellen na zijn vaders zelfmoordpoging en opname in een Iers ziekenhuis in 2001? Omdat de relatie tussen vader en oudste zoon toen al op de klippen was gelopen en Eiso een wrok moet hebben gekoesterd tegen de vrouw die hem had verdrongen is dat goed mogelijk. Merkwaardig genoeg is op het internet niet één enkel spoortje te vinden van (Sieg)linde Mense, die in 1956 geboren is, hetzelfde jaar waarin ik geboren ben, en googelt u mij maar eens!


Zo gaf het boek antwoorden waarnaar ik op zoek was maar wierp het ook nieuwe raadsels op.
Ik leerde dat niet alleen Jan Gerhard maar ook Lo Hartog van Banda regelmatig - met ideeën en plots - bijdroegen aan de verhalen, die vervolgens door Toonder zelf werden uitgewerkt. Wat betreft de tekenaars van de Bommelstrip en hun exacte functie - mijn oude vraag - is het boek duidelijk voor zover het in het relaas te pas komt. Er zijn anderhalf decennium later gelukkig bronnen beschikbaar die elkaar misschien hier en daar tegenspreken maar die aan elke nieuwsgierigheid ruimschoots voldoen. De Comiclopedia van stripwinkel Lambiek bijvoorbeeld, of de zeer uitvoerige website De Bommel schatkamer van Ron Kurvink. 

Inmiddels heb ik het uit. Vanaf nu kan ik weer aan andere dingen denken dan aan Toonder. Het einde was aangrijpend en ontluisterender dan de briefwisseling met Dick Matena. Wat je ook tegen die man kunt hebben, iemand die zo gestraft wordt voor zijn gebrek aan empathie verdient slechts medeleven.
Na de dood van zijn twee echtgenoten en zijn enige broer ("Mijn beste vriend") Jan Gerhard (1914-1992) verloor hij in snel tempo zijn adoptiefdochters Jeanette en Mari-Lou en zijn jongste zoon Onno. 
Toonder zelf hield het nog een tijd vol, met de moed der wanhoop. Hij rommelde nog wat met Matena aan een herstart van de Bommel-reeks (zie mijn blog De rode Bommel van Matena) en bracht zijn laatste dagen in het Rosa Spier Huis door, allengs morsiger en suffiger. Hij gleed weg naar de Andere Wereld in de nacht van 27 juli 2005.
Ik citeer Wim Hazeu: 'Bij de plechtigheid op dinsdag 2 augustus in crematorium Westerveld te Driehuis was Eiso niet aanwezig.' 

                                                                        *

'Of de strips van Toonder ook na zijn dood nog gelezen zullen worden [...] weet ik niet. Ik denk, en ik hoop, dat Bommel nog wel enige tijd door onze landen rond zal waren, omdat hij, geheel los van zijn entourage, een "mens" is, die velen, ondanks zijn fouten, ondanks zijn hopeloze gestuntel, zijn gebroddel en dikdoenerij, zijn prots en hardnekkige domheid, zeer liefhebben, al zouden we hem misschien liever niet als buurman hebben.'

Uit: Marten Toonder en Ollie B. Bommel, een scriptie van Jan-Paul van Spaendonck (1974)

Illustratie: Ben van 't Klooster, voor een liber amicorum ter gelegenheid van Toonders 70e verjaardag. Toonder had op tv bij Sonja Barend beweerd dat hij de Bommelstrip geheel alleen maakte. De tekening werd niet geplaatst.

I.M. Wim Hazeu (1940-2024) en Dick Matena (1943-2026)


vrijdag 11 september 2026

Memory Lane


We zijn het huis een beetje aan het opruimen, mijn dochter en ik. De bedoeling is dat er binnenkort een schoonmaker wordt geronseld. Vroeger kwam elke derde week Slama de boel kuisen, die Berber-liedjes zong tijdens de afwas en zich altijd eerst bukte om mijn katten te begroeten. Na de pandemie ben ik haar uit het oog verloren - haar telefoon gaf een piepsignaal en waar ze woonde wist ik slechts ongeveer. Zou ze nog wel leven? Ik vrees het ergste.
Voor er, eindelijk, vervanging voor haar komt, moet alles wel een beetje netjes zijn: een hulp in de huishouding kan tenslotte ook "nee" zeggen. We hebben gedweild en gestofzuigd, de ontstopper komt volgende week de langzaam dichtgeslibde keukenafvoer opfrissen, er zijn al twee tassen met lege flesjes naar de statiegeldautomaat gebracht. De derde zou ik vanmorgen wegbrengen.

Er was geen regen voorspeld maar hij viel toch. Ik ben altijd blij als de voorspellingen niet kloppen, zoals dat vroeger heel gewoon was. Vreemd genoeg alleen als het tegenvalt: blijft voorspeld noodweer uit, dan voelt dat als 'flauw'. Maar ieder onaangekondigd buitje maakt me een moment lang gelukkig.
Ik stond buiten met die zware tas naar de passerende paraplu's te kijken en veranderde mijn plan. De druppels werden al dikker. Geen Museumplein vandaag, te ver lopen. Ik stapte in mijn auto en reed naar de Stadionbuurt. Daar zou ik eerst de Appie bezoeken en vervolgens bij de Ekoplaza een fles goede Riesling kopen, Vom Berg. 
Toen ik mijn ecologische versnaperingen in de auto had gelegd was het droog. Ik had mijn vaste parkwandeling gemist en besloot hier een ommetje te maken. Via het Van Tuyll van Serooskerkenplein, dat ooit ontworpen was om een zichtlijn te werpen op het Olympisch Stadion, wandelde ik naar de kade. Opeens herinnerde ik me dat ik toen ik hier woonde, tussen 1984 en 1989, na het avondeten een vaste wandeling maakte: uit mijn Jasonstraat de voetgangersbrug van het Zuider Amstelkanaal over, en dan langs het Spinoza Lyceum via de volgende brug (nr. 414) terug langs de Stadionkade. Daar liep ik nu. Iets in mij overreedde me tot een tochtje langs Memory Lane. 

De Jasonstraat was zo goed als onveranderd. Ik keek op nummer 40 naar binnen: in de erker waar mijn werkkamertje was geweest, met bureau en tikmachine, en die later het babykamertje van Martijn werd, stond een bed. Ik was verbaasd dat er een bed in paste - in de grotere zijkamer waar wij toen sliepen was er al nauwelijks plaats voor. Ik dacht aan mijn vervelende buurman, een nerveuze leraar Engels die aan hoofdpijn leed en altijd klaagde over geluidsoverlast. Natuurlijk had hij gelijk, ik timmerde te hard op de piano toen en zong uit volle borst, maar ik stelde nu vast dat er een heel trappenhuis tussen zijn en mijn huis lag. Daarboven woonde een Franse lerares met een pruik, die volgens een koperen plaat aan de buitenmuur les aan huis gaf. Haar volwassen dochter woonde bij haar in. Zij hebben slechts één keer geklaagd, op het feest na mijn eindexamen conservatorium. Weet je wel hoe laat het is? Het mag nu echt wel wat zachter. Het was drie uur 's nachts en we draaiden ZZ Top, Sharp Dressed Men, snoeihard. Ik excuseerde me met dubbele tong en gaf de volumeknop een zwaai naar links.
De bakker op de hoek was er niet meer, daar was nu een sportschooltje. De slijter waar ik mijn slanke beugelflessen Leeuw-bier haalde was allang weg. De drogist was een Thaise massagesalon. Maar in de Argonautenstraat stonden de paardenkastanjes nog net zo herfstig als toen: die knoestige Toonder-bomen hadden me destijds verzoend met het wonen in de stad. Ik passeerde het bakstenen verenigingsgebouwtje met speeltuin waar we een kwartje per bezoek moesten betalen en kwam terug op de Van Tuyll van Serooskerkenweg. Hermes, Antiek en Curiosa was er nog. Ik snuffelde een beetje, aarzelde bij een stenen tjobek - die van ons was in de inboedel van mijn ex beland - vroeg of ze weleens glazen met groene voet hadden ('ja, maar niet nu'), luisterde nog even naar Witchy Woman, en zocht de auto en het heden op.


vrijdag 4 september 2026

ANEMOON

Rondom een opengekrabde insectenbeet op de zijkant van mijn linkervoet verscheen een rode vlek die zich als een zeeanemoon uitbreidde. Een dag later kleurde de plek pimpelpaars. De huid was strak, maar niet warm, pijnlijk of gezwollen. Mijn dochter dacht aan een bloeduitstorting, maar mijn vriendin vond het er niet goed uitzien, herinnerde zich de teken in de Ardennen en op de Drentse camping en drong aan op een consult bij de huisarts.
Ik belde met de assistente. Het was erg druk op de praktijk maar als ik een foto stuurde kon ze samen met de dokter kijken of een afspraak nodig was. Ik maakte een plaatje van de donkere vlek (waarschijnlijk bloedvergiftiging, waarschijnlijk levercirrose) en stuurde die op. Even later werd ik gebeld: de dokter wilde me graag even zien. Schikte half twee?
Veel te vroeg was ik bij de huisartsenpost. Ik liep nog een rondje, Schubertstraat, Wagnerstraat, voor ik in de lege wachtkamer plaatsnam. Een kwartier verstreek. Nog eens een stil kwartier later keek er een vrouw om de hoek. Even een update. Het speet haar maar de dokter was weggeroepen voor een spoedgeval. Hoe lang wilde ik nog wachten? Ik zei dat ik nog wel even tijd had, en ik was hier nu toch. Een half uurtje later was ze er weer. Helaas! Het ging allemaal veel langer duren dan gehoopt, de afspraak moest naar de volgende dag verzet worden.
Ontevreden liep ik naar huis. Een uur zitten op een bankje in het park is plezierig. Diezelfde ledigheid in een wachtkamer voelt heel anders.
Vandaag was de anemoon duidelijk minder fel gekleurd. Het waaide flink en het regende. Ik ging toch, afspraak is afspraak. Stipt om halftwee verscheen een jongeman met blosjes op de gladde wangen. Hij keek eens goed, kneep wat en oordeelde: 'Lyme is het zeker niet. Ik kan er niets anders van maken dan een bloeduitstorting. Antibiotica hoeft niet, een zalfje heeft geen zin. Hou het in de gaten, maar het gaat vrijwel zeker vanzelf weer over.'
Ik trok mijn sok en schoen weer aan.
'Dus van amputatie is geen sprake?'
Hij had even tijd nodig om te schakelen van ernst naar scherts. Toen zei hij met een voorzichtig lachje: 'Nee. Maar dat kan altijd nog.'


zondag 30 augustus 2026

Maar stiekem snakken wij…


Subtiel, vernuftig, met verfijnde pracht,
Lijkt ons bestaan in lichte dans te draaien
Om ’t grote Niets dat wij aldus verfraaien,
Waaraan het zijn ten offer is gebracht.

O al die mooie dromen, speels en blij
Ons aangeblazen, harmonieus ontbloeid,
Diep onder jullie oppervlakte gloeit
De zucht naar nacht, naar bloed, naar barbarij.

In leegte wervelt zonder dwang of nood
Ons leven, altijd wel tot spel bereid,
Maar stiekem snakken wij naar werk'lijkheid,
Naar diepe moederschoot, naar pijn en dood.


Hermann Hesse, 1901 (in 1943 gepubliceerd in “Das Glasperlenspiel”)
Copyright vertaling: JPvS

Anmutig, geistig, arabeskenzart
Scheint unser Leben sich wie das von Feen
In sanften Tänzen um das Nichts zu drehen,
Dem wir geopfert Sein und Gegenwart.

Schönheit der Träume, holde Spielerei,
So hingehaucht, so reinlich abgestimmt,
Tief unter deiner heiteren Fläche glimmt
Sehnsucht nach Nacht, nach Blut, nach Barbarei.

Im Leeren dreht sich, ohne Zwang und Not,
Frei unser Leben, stets zum Spiel bereit,
Doch heimlich dürsten wir nach Wirklichkeit,
Nach Zeugung und Geburt, nach Leid und Tod.


vrijdag 28 augustus 2026

LIJSTJE

Dinsdag brak ik met mijn ingebakken weekindeling. Die slaat nergens meer op voor een pensionado en heeft sowieso nooit ergens op geslagen - ik ben immers mijn eigen baas. Ik stapte in de auto en reed naar de polder om mijn vriendin te verrassen.
De wind woei flink door de nazomers blauwe hemel. Eilandenweer, zei mijn vriendin. We plukten een uur lang distels uit het weiland, daarna spoelde ik het zweet af en las in een tuinstoel Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit; in de schaduw, glas verantwoorde Riesling van de Ekoplaza binnen handbereik.
Mijn vriendin had nog wat andere klussen te doen. Werk voor twee, op de boerderij, ook als je geen schapen meer hebt. We aten een salade met stokbrood en wat overgebleven stukken pizza. Toetje met pruimen uit eigen tuin toe.
's Avonds ging de wind liggen, de vleermuizen kwamen, en we keken lang naar de sterren. Twee steelpannen, groot en klein, Poolster.

De volgende morgen reed ik terug naar de stad. Las op het balkon in Wim Hazeu's biografie van Marten Toonder. Sufte even op bed met de katten.
Daarna had ik een ingeving die de dreigende landerigheid doorbrak.
Hoe ik erbij kwam, geen idee, - maar die oude gitaar van het eerste decennium La Passione, die al twintig jaar lag te verstoffen in haar gehavende koffer met stickers fragile erop, een verminkt en incompleet instrument: stemmechaniek kapot, een barst in het bovenblad, vier ontbrekende snaren, - daar moest iets mee gebeuren en waarom niet nu?
Het eerdere plan, dat ik dit product uit de werkplaats van Ricardo Sanchis in Valencia maar gewoon moest wegdoen, desnoods bij het grofvuil, leek me nu bizar. Ik schoot in mijn slippers en droeg de koffer door de zwoele middag naar de winkel waar ik de gitaar ooit gekocht had, gaf mijn wensen te kennen en ging met een licht gevoel naar huis om een was te draaien of iets dergelijks; maar eerst zat ik nog een tijdje op een bankje aan de kade en keek naar de flonkeringen in het water.

Als ik grip op de dingen verlies ga ik lijstjes maken. Meestal gebeurt dat als ik druk ben met verplichtingen die te veel van elkaar verschillen en me zorgen maak of het allemaal wel op tijd af komt.
Maar die behoefte aan orde op zaken stellen kan ook ontstaan, als je juist te weinig om handen hebt. In het grote drijfzand van een lange zomer bijvoorbeeld. Als je ontevreden bent en naar structuur begint te verlangen. 
Ik stuurde mijn zoon een foto van de gitaar in de werkplaats. Ah ja, ik hou ervan, antwoordde hij. Frisse wind. Wat je in huis hebt ook daadwerkelijk KUNNEN gebruiken en in orde maken.
Het succes van de gitaar smaakte naar meer. Daar kwam het lijstje. Eerst in mijn hoofd, later als mail aan mezelf, in bed. 

Dat schilderijtje van Ger, vlak voor zijn dood aan mij geschonken, moet nu toch eindelijk een mooi, romantisch lijstje krijgen. Die oude geïnfecteerde computerschijfjes met brieven en verhalen, al jaren klaarliggend op mijn bureau, moeten naar een bedrijf worden gestuurd, dat ze, schoongemaakt, van WordPerfect naar Word kan overzetten. Enzovoorts, genoeg te doen, ook zonder schapen.
Zaak is wel, het voor het eind van de zomer te doen. Want als de routine van koren, lessen, concerten en missen weer begint verdwijnt de urgentie. Dan is het oplappen van een oude gitaar de minste van mijn zorgen.


vrijdag 21 augustus 2026

Rembrandt, Vestdijk, en... Rens


In de jaren 70 kochten mijn ouders van een colporteur de Rembrandt Bijbel. Zouden er nog ergens op de wereld mannen langs de deur gaan om een luxe boekwerk te slijten aan overrompelde burgers die gestoord worden in hun after dinner dip? 

Het was een mooi boek, in een cassette, boordevol etsen en tekeningen, die de sprookjes van de Heilige Schrift beter weergaven dan de anonieme schrijvers van dat Boek.
Het inspireerde mijn vader om na het eten een stukje eruit voor te lezen, naar oude traditie. Hoewel hij die traditie nooit had gekend, want katholieken hebben niet zoveel met de Schrift, zeker niet met het OT, buiten de verplichte uurtjes in de kerk. Maar goed, mijn vader dacht op die manier tegengas te geven aan de chaos waarin het gezin met opgroeiende pubers was beland. Een moment van saamhorigheid en inkeer. Hij hield het niet lang vol.

Aan dat boek, aan de deur gekocht, moest ik denken toen ik deze week in het weggeefkastje in mijn straat een rode linnen band met goudopdruk zag: Rembrandt en de Engelen, twaalf gedichten en een acrostichon. Auteur S. Vestdijk, uitgeverij Stardust Theatre B.V.
Geïntrigeerd opende ik het. Het bleek te gaan om een herdruk van Vestdijks cyclus uit het jubileumjaar 1955: het 350ste geboortejaar van Rembrandt. In het 400ste geboortejaar, 2005 dus, kwam er, geheel naar de geest van onze tijd, een musical. Rembrandt de Musical. De producenten daarvan, onder wie Henk van der Meijden, zochten naar inspirerende teksten en vonden in een antiquariaat de vergeten gedichten van S. Vestdijk. Diens weduwe (en de beheerder van zijn nalatenschap), de 30 jaar jongere Mieke Vestdijk (1938-2018), gaf toestemming om citaten daaruit te gebruiken in het libretto.
En er kwam dus dat rijk geïllustreerde boek, met een voorwoord van Mieke en een portret van SV door Paul Citroen.

Heus een mooi boek hoor, degelijk, verzorgd, en smaakvol vormgegeven; maar ik blijf me toch afvragen wat Simon, een begaafd amateurpianist en muziekkenner van het meer verfijnde soort, Bruckner, Debussy, Mahler, Pijper, gevonden zou hebben van Rembrandt de Musical. 
En zou hij zijn wenkbrauwen niet hebben opgetrokken bij die uitgeverij - geen Arbeiderspers of Bezige Bij, maar Stardust Theatre B.V.?
Soms is het goed dat een mens niet alles weet; de eigen nalatenschap kan men nog min of meer beheersen, maar het Nachleben van ons werk moeten we overlaten aan hen die na ons komen.

                                                                     

                                                                                *

Kortgeleden werd ik benaderd door de zoon van "Rens". Hij wil een boek over zijn vader gaan schrijven. Of ik nog aanvullingen had op het blogje dat ik in 2015 aan hem wijdde?
Ik zette mijn geheugen aan het werk en omdat het nog zomer is en ik alle tijd heb sloeg ik er oude dagboeken op na.
Wat ik in dat blogje schreef was qua chronologie niet juist, dat bleek al gauw. Ik zocht verder en vond genadeloze correcties op mijn herinnering, die weer eens een mooi rond verhaal had gemaakt van wat in werkelijkheid veel rommeliger was.
Zoon V. en ik maakten een afspraak. Ergens moest ik nog een foto hebben van Rens, die, bleek uit mijn dagboek, een tijd in mijn koortje I Dodici had gezongen. Die zou ik om hem een plezier te doen meenemen.

Ik open de laatjes van de smalle archiefkast van roodgeverfd hout die meestal veilig gesloten de wacht houdt naast de deur van mijn cockpit. Dat is gevaarlijk werk. Ik ben wel gewend aan de confrontatie met het gefotografeerde verleden van de afgelopen 25 jaar, het digitale tijdperk. Die plaatjes rouleren als schermbeveiliging op mijn computer. Er is veel veranderd in die kwarteeuw, maar de spelers zijn dezelfde gebleven.
Met dit rode kastje is het anders. Elk laatje herbergt oude foto's die al heel lang wachten op een betere plek. Vooral uit de jaren 90 en het begin van deze eeuw. Een andere vrouw, vertrouwd en vreemd, vergezelt mijn andere zelf.
Dit is gif. De verleiding is groot, lezer, om stil te blijven staan bij elk verrassend residu van een lang vervlogen jaar, elke vergeten gebeurtenis of gelegenheid. Maar ik blader snel door, stapel na stapel, map na map, met het verstand op nul. Ik neem me streng voor er nu helemaal niets mee te doen, met dit toxische archief, en er later eens serieus, liefst met een chaperonne erbij of onder andere veilige begeleiding, naar te kijken, - de hele zooi te ordenen en zéér, zéér uit te dunnen. Al was het maar voor mijn kinderen later. Dat zij niet hoeven te verzuipen, in een toch al moeilijke tijd, in die overstelpende overvloed van een voorgoed verdwenen wereld.

Die foto van Rens als koorzanger was er niet bij.


zondag 16 augustus 2026

MIDWEEK


Een diepe vermoeidheid volgde op ons verjaardagscadeau.
Toen we zeventig werden, mijn vriendin en ik, kregen we van de kinderen een vakantiereisje. De agenda's van mijn drukbezette nakomelingen werden vergeleken en er werd een ruim huis uitgekozen - niet te ver, want het ging om vier nachten, een midweek.
Het werden de vertrouwde Ardennen. Zoon en gezin planden hun vakantie de week ervoor in de buurt, zodat het mooi aansloot. Wij haakten de maandag van de tweede week van hun verblijf aan.
Het afgelegen huis was prachtig. Een typisch Belgische fantasie van natuursteen met een romantisch torentje met weerhaan en ingewikkelde, door riskante trappen verbonden verspringende kamers, die de feitelijk nogal kleine ruimte tot een koel labyrint maakten.
Vooral dat koele was welkom want het was bloedheet. Een grote bostuin eromheen met buizerds, vossen en vuursalamanders (naar verluid, de kreekjes waren drooggevallen). Een jeu-de-boulesbaan. De barbecue lieten we maar onaangeroerd. Die droogte, de natuurbranden; bovendien waren er veganisten onder ons.

Anders dan op vroegere vakanties werd er nauwelijks gedronken. Mijn jongste dochter en ik moesten het vaandel hooghouden en deden dat dapper maar met verstandige reserve. Althans, mijn jongste dochter. Ik deed mijn best en vermeed excessen maar al met al ging er toch flink wat (lichte, verkwikkende) Luxemburgse wijn doorheen.
Veel deden we ook overigens niet. De hete dagen werden ontspannen gevuld met familieplezier. Er was ruimte om te lezen of gitaar te spelen, er werd goed gekookt uit wat Delhaize en Carrefour te bieden hadden, de zeventigers hoefden niets te doen, wat fijn was, heel fijn, het eigenlijke cadeau.

De woensdag was bestemd voor toerisme dat een ritje naar een riviertje oversteeg. Kleinzoon N. was vlak voor onze aankomst jarig geweest en mijn vriendin had het briljante idee gehad hem mee te nemen naar de Abdij van Stavelot. Daar is in de gewelven een permanente tentoonstelling ingericht die gewijd is aan het naburige circuit van Francorchamps. Zalen vol legendarische racewagens: hij rende opgewonden rond en zijn vader, die ook van auto's houdt (als driejarig jongetje kon hij automerken aan hun wieldoppen herkennen - mij was het, toen 33, nooit opgevallen dat auto's verschillende wieldoppen hadden), - zijn vader deed drie keer de ronde met hem, terwijl wij in de bovenzalen van het Benedictijner klooster het leven van Guillaume Apollinaire bestudeerden, die als jongeling een tijd verbleef in Stavelot, en ons vergaapten aan Japanse houtsneden van Hokusai (de beroemde Grote golf van Kanagawa, eerste druk, met het originele houtblok) en Hiroshige (mijn favoriete Brug in de regen).
We aten op een terrasje in de schaduw en 's avonds keken we hoger op de heuvel, bij het helaas gesloten Relais des Pêcheurs, naar de zonsverduistering.
Daarna waren er vallende sterren.
De volgende dag was het weer tijd voor lezen, spelen en klooien. 

Dus, waarom, vraagt u zich ongetwijfeld af, lezer: waarom die "diepe vermoeidheid" van de openingszin?
Welnu. Vrijdag vertrokken we vlot, deden nog wat boodschappen voor thuis (rauwe ham, koekjes, confiture, artisanale bieren, Riesling, etc.), hadden nog de overmoed om in het begin klein te rijden, - en kwamen, eenmaal op de snelweg, in een enorme file bij Luik terecht. Die was echter helemaal NIETS vergeleken bij de epische file bij Eindhoven, waar al het verkeer op de toch al gevoelige rondweg op één rijbaan geperst moest worden. We kropen auto voor auto voort, en stonden praktisch stil, ruim een uur lang. Toen kwamen er mysterieuze files na Den Bosch (we konden geen aanleiding ontdekken) en nog wat gewone vrijdagdrukte. Al met al duurde een ritje van ruim drie uur nu, inclusief een plas- en koffiepauze, mínstens dubbel zo lang. 's Nachts zag ik auto's flitsen in mijn ooghoeken, zoals vroeger, als ik lange dagen over autobanen had gejakkerd, en mijn benen waren slap van het optrekken en remmen. 

Het volgende noteer ik om het niet te vergeten.
Blijkbaar was dit een zwarte vrijdag. Ik kende alleen de zwarte zaterdag. Die voortaan koste wat kost mijden! Google is your friend, check data!
En: moet er per se in hartje zomer naar die contreien worden gereisd op een riskante datum: ga via Nijmegen naar de Bundesbahn, zoef naar het Zuiden en sla ergens bij Verviers af naar België. MIJD DE A2!

[Ik wil een Zwartboek aanleggen van al die dingen die men zich voorneemt nooit meer te zullen doen, en die je gaandeweg toch weer vergeet. Valkuilen waarin je blijft trappen. Bepaalde gerechten in bepaalde restaurants eten bijvoorbeeld. Toch maar weer naar die en die oude held gaan kijken of luisteren van wie je weet dat hij of zij het niet meer kan, etc. En dan dat boekje regelmatig doorlezen.]


vrijdag 7 augustus 2026

SCHOENEN

Ik moest nodig nieuwe schoenen hebben. De oude gunde ik nog een laatste wandeling, samen liepen we door de zonnige ochtend naar de Leidsestraat, waar de Ecco-winkel is.
Wás: hoe ik ook keek, het vertrouwde logo wilde zich niet vertonen. Ik zocht op mijn telefoon en las dat er nu een Nelsonwinkel moest zijn op nr. 4, blijkbaar was die ook alweer verdwenen.
Door naar de Kalverstraat dan maar, een koopgeul die ik liever vermijd. Het was nog vroeg, de drukte viel mee. Inderdaad, op 101 was een Ecco-zaak. Het was er uitverkoop en er was weinig keus. De bruine variant van mijn vaste schoenen (ik begon ooit met zwarte, daarna werden het bruine, onlangs ben ik uit noodzaak naar zwart teruggekeerd) hadden ze alleen in maat 42, zei het meisje achter de kassa in het Engels. Zwarte, dan maar weer. Ik paste ze voor de zekerheid even, liet haar de plastic overtolligheden eraf knippen, zei dat ik ze aanhield, en betaalde. Nee, een tasje voor mijn oude paar hoefde ik niet, I'll throw them away. Ze keek me een beetje raar aan. Bij de eerste de beste afvalbak hield ik woord. 

Opening soon, gesloten, hier komt binnenkort, verhuisd naar. Dat zie je veel in de Leidsestraat. Ik had honger en trek in koffie en zocht de Starbucks waar ik de vorige keer dat ik hier was zulk lekker bananenbrood had gegeten. Nergens te vinden. Dan maar de ouderwetse banketbakker Kwakman op de hoek van de Prinsengracht. Maar meteen na binnenkomst al zag ik dat het mis was. In de vitrines lag dezelfde herrie als overal elders in toeristengebied. In cellofaan geperste, te kort gebakken panini, grote koeken, American of stroop, droge brownies, fantasiegebak, aan het zicht onttrokken door dikke, veelkleurige room. Geen fatsoenlijk broodje te zien. Ergens achter de buitenlandse werknemers lag een mandje met verpieterde croissantjes. Ik verliet binnensmonds vloekend het pand. 
Verderop in de Leidse was er wél een Starbucks. Ook hier sprak men geen Nederlands. Maar goed, ik spreek Engels, meestal beter dan het uit alle windstreken aangewaaide personeel. En het voordeel van een keten is de constante kwaliteit. De flat white en de bananencake waren hier net zo lekker als ik me van de regenachtige morgen in de afgelopen lente herinnerde, toen ik naar de paradontoloog heen en weer was gelopen en bij het verdwenen filiaal was neergestreken. Spotify stond op "blues". Ik at en dronk goedkeurend en keek om me heen. Dat deed verder niemand. De meeste twintigers en dertigers hier hadden oortjes in en waren in telefoon of laptop verdiept. Een jonge moeder verdeelde haar aandacht over minstens vier dingen: ze hield de baby stil die in een draagslinger op haar borst hing, ze dronk haar Matcha, voerde een indringend telefoongesprek én ze knikte driftig mee met het ritme van Howlin' Wolf. Ik vroeg me af hoe haar hoofd er vanbinnen uitzag.

Op het Leidseplein begon mijn rechter hiel te branden. Het strakke nieuwe leer was bezig zich in mijn huid in te vreten. Zou wel een blaartje worden. Ik stapte op tram 24, zowat de enige Amsterdamse tram die een onveranderd traject rijdt sinds de jonge honden van de gemeente het hele OV hebben omgegooid, god weet waarom, en liet me naar huis vervoeren. Op de vrijdagse boekenmarkt op het Spui, gelukkig ook niets veranderd voor zo lang als het duurt, had ik niets gekocht; op dat moment vervulde me dat met een lauw soort trots maar nu had ik er spijt van. Als trofee om mee naar huis te nemen had ik alleen die knellende schoenen aan mijn voeten.



vrijdag 31 juli 2026

HARNS

Soms kan het voordelen hebben om niets te willen vastpinnen. Van die school is mijn vriendin. De datum hadden we na veel aarzeling en mild gekibbel bepaald. De locatie had tastenderwijs aan duidelijkheid gewonnen. Elzas, Vogezen. Hotels aan de Rijn met glanzend gepoetste glazen met groene voet.
Toen het zover was schrikten de extreme temperaturen ons af. Waar was het nog te doen? Het gebied rond de Wadden.
We mikten op de 21 graden in Harlingen, stad van Vestdijk die ik hoognodig eens moest zien.
Daarnaartoe via ons aangeraden mooie plaatsen en tot de verbeelding sprekende locaties in het Oosten van ons prachtige, niet al te hete en vooral niet brandende land.
Zodoende stuurt uw Blogger Voorheen Rookzanger u deze ansicht vanuit een hotelkamer in Harns, bakermat van de grote schrijver, die hier geëerd wordt met plaquettes, beeldhouwwerk en permanente museale tentoonstelling. Een mooie, hoogstens iets te toeristische historische havenstad, door zeewind gestreeld, waar de scheepshoorn van het veer naar Vlieland prettig loeit.


vrijdag 24 juli 2026

Thuis bij Jan Steen

 

Op een van mijn favoriete Jan Steens zien we de schilder als violist. Zijn aandacht wordt afgeleid door een grijnzende feeks achter hem, die hem aanmoedigt om te drinken. Ondertussen steelt een blonde versie van Amy Winehouse het zojuist verdiende geld uit zijn beurs. De vedelaar is danig van haar gecharmeerd, zo maakt de stenen pijp die uit zijn gulp omhoog wijst ons duidelijk. In werkelijkheid zal Steen dit model ook wel graag gezien hebben, want ze komt op meer schilderijen voor, met name op de protestantse versie van Het Sint Nicolaasfeest; dat zegt althans mijn oog, ik heb er niks over gelezen en misschien heb ik ongelijk en zie ik wulpse spoken. 

In De Lakenhal in Leiden vieren ze het vierhonderdste geboortejaar van Steen met een expositie: 'Thuis bij Jan Steen'. Een eeuw geleden telde de viering van Steens driehonderdste, eveneens in De Lakenhal, veel meer schilderijen: 78, uit binnen- en buitenland. Nu zijn het er 'slechts' 28, uitsluitend uit Nederlandse collecties; vervoer en verzekering van dit soort meesterwerken zijn vrijwel onbetaalbaar geworden. 
Ik liep er rustig rond, bekeek sommige doeken aandachtig, andere met minder interesse, wat me tot de voorlopige conclusie bracht dat Steen een wat onevenwichtige schilder is die de goede middelmaat plotseling spectaculair ontstijgt met brutale humor, ongehoord levendige details en karakters die ons over de eeuwen heen aankijken alsof het Leienaars van nu zijn.  
Zoals vaak bij tentoonstellingen moest mijn aandacht worden gewekt door iets onverwachts voor ik het geheel met enthousiasme kon bezien. Dit keer waren dat drie spelende kinderen.

De zalen zijn onderverdeeld door grote panelen waarop, naast tekst, details van de schilderijen zijn afgedrukt. Ik zag ze en was verrukt door die drie: een jongen en een meisje die aan het knikkeren zijn en een kleiner meisje met een pop in haar armen dat de meest geheimzinnige, donkere, ondoorgrondelijke ogen heeft die je je kunt voorstellen. Wat er in haar omgaat is een kosmisch raadsel. De oudere twee praten en lachen en opeens vroeg ik me af hoe het Hollands dat zij in de zeventiende eeuw spraken geklonken zou hebben: zo levend sprongen ze uit de verf dat ik ze meende te kunnen horen; kon ik de demper maar uitschakelen! 
En vooral vroeg ik me af hoe het kon dat ik dit briljante schilderij had gemist! Ik ging de zalen nog eens rond, en nog een keer, een derde keer geassisteerd door mijn vriendin. Nergens!
Pas toen ik het slimme idee kreeg om op de reproductie te zoeken naar een naam had ik beet. Gewapend met "Laban zoekt de door Rachel gestolen terafim" ging ik ten vierde male door de zalen. En ja: daar hing het, een Bijbels tafereel uit 1661 dat me in eerste instantie niet zoveel had gezegd. Bijbelse taferelen, - och... Maar nu kon ik al die gekostumeerde mensen die iets bijbels aan het doen waren negeren en me focussen op de eerst niet opgemerkte spelende kinderen, en op dat vredig slapende hondje, die helemaal niets te maken hadden met dat volwassen gedoe om hen heen en in zalige afzijdigheid zich wijdden aan hun spel, hun slaap. 
De onpeilbare blik van het poppenmeisje kwam beter uit de verf in de uitvergroting; die liet pas zien wat een begenadigd fijnschilder Steen was. Ook de afbeelding hieronder doet er geen recht aan. Via deze link kunt u een iets betere indruk krijgen. 

Hongerig en dorstig geworden door al die uitbundige taferelen deden we de nagedachtenis van de schilderende kroegbaas eer aan op terras en in restaurant. De volgende morgen stond er na een ontbijt in Stadsbakkerij Water & Bloem Japanse kunst op het programma, in het SieboldHuis. Maar eer we daar aankwamen waren we al wandelend geheel doorweekt geraakt door een onverwachte, fijne maar o zo natte miezerregen die ons verlangen deed naar een warme auto. 
Steen en Japan: misschien was het ook niet zo'n goede combinatie geweest.


vrijdag 17 juli 2026

Ich habe die Ehr, Ihr Rezensent zu sein

In jeugdige overmoed solliciteerde ik eind jaren 70 naar de positie van muziekrecensent bij de Amersfoortse Courant, toen nog een zelfstandig dagblad. Ik kwam uit een muzikaal milieu, had een vaardige pen, wist veel van muziek en beoefende die zelf als hobby: ik achtte mijzelf dus best gekwalificeerd. De krant vond dat ook: ik ging met de trein naar een zangrecital in Harderwijk, schreef een proefkritiekje en werd aangenomen. Vijf tientjes per stukje, een vetpot was het niet.
Ik zou het blijven doen tot ik zelf het podium op ging. Het leek me niet kies om anderen de maat te nemen die feitelijk jouw collega's zijn. Mijn verleden als criticus leidde weleens tot pijnlijke momenten. Een dirigent met wie ik kwam samen te werken was mijn recensie over zijn Lucas Passie van Telemann ("bloedeloos") nog niet vergeten en het kostte wat tijd om de kreukels in onze relatie glad te strijken -  gelukkig had ik ook vleiende dingen over hem geschreven, bij een andere gelegenheid. 

Op 29 januari 1980 schreef ik:

Onlangs nog las ik in een landelijk ochtendblad, dat een bepaalde uitvoering "er best mee door kon", dat het resultaat "wel aardig" was, en dat men zich "er niet eens zó zwaar aan had vertild". Afgezien van het onbeschaamd cynisme van deze vakbroeder, ligt die gevoelsafstomping, die waterige halfslachtigheid niet aan de muziek zelf, noch waarschijnlijk aan de uitvoerders, maar aan het dovend vuur binnen de luisteraar. Ik herinner me hoe ik, met vrienden, vol genotvolle hartenpijn kon dwepen bij Puccini of Rachmaninoff, - de mandfles Chianti op tafel; die intensiteit is helaas vaak tot een "wel aardig vinden" verworden. 

Dat zou mijn credo worden. De uitvoerders deden hun best. Als het allemaal niet zo fijn overkwam kon dat net zo goed aan de luisteraar liggen. Mildheid was het die me leidde.
Alleen in het geval van de authentieke uitvoeringspraktijk (toen nog relatief nieuw) schoot die mildheid nogal eens tekort. Want mijn vader was fout geweest in de barokoorlog (zoals bas-bariton Lieuwe Visser ooit grapte over bas-bariton Henk Smit) en die halve musicologen waren in zijn ogen allemaal cerebrale opportunisten die uit gebrek aan talent naar de historisch verantwoorde vedel of kromhoorn grepen. Als ik die stukjes teruglees schaam ik mij diep. Om het goed te maken speel ik nu luit, zo zacht mogelijk. 

Vanmorgen was ik bij mijn vriend Geerten Meijsing. Hij was zichtbaar ontdaan door een recensie van Carel Peeters in VN. Voor Geerten Meijsing is mislukken een verdienmodel. Een kop om je dag bij voorbaat kapot te maken.
We deelden onze gedachten over het wezen van literaire kritiek. Als je een boek of een schrijver écht niet lust moet je er niet over schrijven, daarover waren we het eens. De tijd van de kunstpausen die bepalen welk leesvoer goed is voor ons gewone mensen is voorbij. Reich-Ranicki en Zeeman zijn dood. Wat heb je aan critici die, vaak met persoonlijke motieven, soms met drijfveren, geboren uit rancune, geen groter genoegen kennen dan een auteur, die jaren aan een boek heeft gewerkt en daaraan zijn beste vermogens heeft gewijd, te kleineren en zelfs te ridiculiseren? Wie is daarbij gebaat, behalve het ego van de criticaster of de handenwrijvende vijanden van betreffende auteur? De lezer nooit. Zelfs als die welwillend is zal er een smet op zijn verwachting blijven - waar rook is, is vuur. 
En voor de kunstenaar kan de schade ernstig en langdurig zijn. Bovengenoemde Rachmaninoff was zo kapot van een vernietigende recensie van zijn eerste symfonie dat hij jarenlang tot niets meer kwam; pas na psychotherapie en hypnose raakte hij er bovenop, en nam glorieus wraak met zijn nog steeds geliefde Tweede Pianoconcert.

De Nederlandse literaire productie is, afgezien van een paar verkoopcijferkanonnen, qua commerciële baten marginaal. De lezerskring van "moeilijke boeken" is niet groot. Een zaak van serieuze, loyale liefhebbers. Die liefhebbers hebben niets aan een negatief uitgangspunt en zitten niet te wachten op een negatieve conclusie. Ze willen zélf bepalen wat ze van het boek vinden en hoeven dat niet voorgekauwd te krijgen. Het enig overgebleven bestaansrecht van de kritiek lijkt mij dan ook in het neutrale verlengde te liggen van de promotie. Herren und Damen Rezensent! Doe de literatuur een lol en probeer door goede informatie meer zieltjes te winnen voor het boek dat u heeft uitgekozen om te bespreken. Denk aan de jonge Van Spaendonck, en wees daarbij mild en respectvol!

Dat het ook anders kan dan de zure, tendentieuze stukken van Carel Peeters, Jack van der Weiden en consorten bewees het stuk van Theo Hakkert in het online magazine VersTwee. Journalistiek goed onderbouwd, informatief, helder en wervend. HIER te lezen. 
Ja, ik ben bevooroordeeld. Maar ik deel zijn conclusie: een schitterend boek.


[Illustratie: Peter Muzeniek (1941). Titel: uit "Abschied" van Eduard Mörike]


vrijdag 10 juli 2026

KREUPEL



Een heerlijke blauwe dag, geen wolkje aan de hemel, warm, maar met een lichte bries: volmaakt weer, volmaakte omstandigheden. Helaas loopt Voorheen Rookzanger niet in de pas met de wereld. Hij loopt eigenlijk helemaal niet, tenzij je pijnlijk strompelen zo wilt definiëren. Vanochtend vroeg moest hij zijn auto naar de garage brengen voor de jaarlijkse APK-keuring. De terugweg te voet was er een vol pijnscheuten, de cocktail van ibuprofen en paracetamol was net toereikend om de ergste pijn te onderdrukken. En lopen is, na zitten, nog het best te doen: liggen, waar uw blogger erg van houdt, niet alleen met lezen doorgebrachte avonden en lange nachten maar ook midden op de dag, is een moeizame bezigheid in plaats van de ontspannen horizontale nulstand: hij draait zich, wentelt zich, moeizaam van de pijnlijke zijde op de minder pijnlijke zijde. Valt nu en dan in slaap maar lang duurt zo'n slaapje nooit.

En dat allemaal door een misstap en een ongelukkige val, hoe en waarom doet hier niet ter zake maar één ding is duidelijk: VH Rookzanger is op zijn zeventigste geen soepele jongeman meer.  
Het is bijna vier uur, de garage sluit officieel op dit uur haar deuren, dus ik heb waarschijnlijk nog een dag respijt en hoef niet nog een keer dat end naar de Van Ostadestraat te lopen (end? een rottig kwartiertje!) om het aanzienlijke bedrag te pinnen dat ik de monteurs schuldig ben; want een ongeluk komt zelden alleen: mijn karma, niet al te best op heden, voorzag naast een gekneusde ribbenkast ook in het vervangen van een distributieriem en nog een aantal volgens de garagist niet alleen aan te bevelen, maar eerder noodzakelijke ingrepen.
Daar staat dan weer tegenover dat er onverwacht een optreden op de agenda verscheen, volgende week donderdag; maar... of er gezongen kan worden met een torso waarin gewoon ademhalen al moeizaam gaat en bijvoorbeeld hoesten een felle pijnscheut oplevert, dat is nog helemaal de vraag.

En de binnenkort geplande vakantiereis? Ik herinner me die keer dat mijn vriendin - ik kende haar net - door een dol schaap werd aangevallen, terwijl ze over een toefje onkruid gebogen stond, de bot gehoornde schedel werd als een stormram in haar rug geplant, ze was daar weken, zelfs maanden zoet mee.
Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen, hopelijk valt het mee, ik wil niet voetstoots partij voor de zwartste scenario's kiezen.

Ik hoef de auto niet meer te besturen vandaag en schenk me een stevig bier in. Donker. Ondertussen vermaak ik me met de poëzie.

Een ziel

Van lijden vermoeid,
In hoop echter rijk,
Met bladfrisse kijk,
In liefde ontbloeid,
Zou men bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Heeft jouw heugenis,
Mij zeer toegenegen,
Soms vleugels gekregen
Naar wat nog niet is?
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

Ben jij in de lucht
Als die mij wil aaien:
Of onrust wil zaaien
Met onweersgerucht? 
Want ‘k zou bijna denken,
Dat ‘n ziel ieder uur
Van mijn dagen wil drenken
In nieuw hemels vuur.

"Une âme", Marceline Desbordes-Valmore (1786-1859)
© vertaling: JPvS

[Illustratie: Paulus geneest de kreupele in Lystra (1663), Karel Dujardin (1626-1678)]

 

vrijdag 3 juli 2026

CARILLON


De weg ging niet, zoals gevreesd, door open vlaktes, maar baande zich, niet eens al te recht, door stroken groen vol berenklauw in volle bloei en zelfs door bos; jong bos, maar toch: bos. Windmolens waren er wel maar lang niet zoveel als in het noordoosten van deze polder.

We reden Zeewolde binnen. Een tuinstad zo te zien, zoals ik ze ken uit mijn jeugd, het rook er zelfs naar liguster. Weinig mensen op de been, wel op de fiets of op de scootmobiel. Ik liet mijn dochter achter bij de fysiotherapeut, de enige, volgens haar second-opinion-orthopeed, die raad weet met de schouderblessure waaraan ze, na een ongelukkige val, nu al anderhalf jaar lijdt.

Wat te doen het komende uur? Ik had een boekje bij me - Maigret et le clochard; Meijsings Gissing R.I.P. wilde ik voor thuis bewaren om in alle rust te genieten. Ik keek weifelend naar de fietspaden, de woondozen, het Geuzenveldse groen. In de verte zag ik een toren, net zo nieuw als de hele polderstad, geen kerk, maar toch een soort baken, waarschijnlijk een carillon.
Mijn ingewand besliste voor mij. Ik had plotseling tamelijk hevige aandrang. Als ik moet dan moet ik, zei mijn vader soms met een verontschuldigende glimlach na zijn prostaatoperatie. Zover is het bij mij gelukkig niet. Op weg dan maar: bij die klokkentoren zou toch wel iets van horeca zijn?

Ik passeerde een school met speelplaats en kwam als snel bij een Vomar, en een Lidl. Ik was warm. Rond een pleintje waren niet een of twee, maar wel drie cafés. Ik koos voor Grand Café Mens, tegenover een Wibra, vlakbij de toren die inderdaad, dat had ik goed gezien, even later een liedje begon te spelen. Het personeel hield zich afzijdig dus ik kon rustig eerst naar de wc gaan. Daarna zette ik me opgelucht aan een tafeltje buiten en liet me, nadat ik een serveerster had losgeweekt uit haar conversatie, een beugelflesje Paix Dieu brengen (ze sprak het uit als Pa Dieu). Even later begon het zachtjes te regen op de luifel, ik werd Zeewolde meer en meer welgezind.

Ook mijn dochter was opgelucht: de therapeute had een gunstige prognose gesteld en haar een reeks milde oefeningen meegegeven om thuis te doen, haaks op de ruwe en averechts werkende aanpak van de fysio in Amsterdam. Pas over een maand hoeft ze terug te komen.
Ik zie er nu al naar uit.



vrijdag 26 juni 2026

TITANIA


Mijn vader wilde zijn witte wijn goed koud toen dat nog niet gangbaar was. Als hem de temperatuur niet beviel vroeg hij de ober rustig om ijsblokjes. Ik schaamde me dan: stijlloos! Maar hem kon het niet zoveel schelen wat ze van hem dachten. Conventies waren maar conventies. Voor innerlijke beschaving ging hij door het vuur maar de zogenaamde goede smaak lapte hij aan zijn laars. Toch kon hij onverwachts op goede omgangsvormen staan. Dat wil gedaan zijn, zei hij dan.

Dinsdag besloten we tijdens de jaarlijkse vergadering van bestuur en dirigent om de repetitie op de woensdag af te blazen. Een tropenrooster of liever hitteplan ging in. Ik denk niet dat we dat hadden gedaan als we niet zo bang werden gemaakt door alarmerende kleurcodeberichten en overheidsoekazes. Van een beetje zingen in een redelijk koele sacristie is nog nooit iemand doodgegaan, denk ik. Mij kwam het wel goed uit: de vakantie begon de volgende dag. Rustig aan leven, tempo comodo, lezen bij de ventilator, op slippers en in korte broek naar de Appie slenteren, de dagelijkse parkmars hoefde even niet, ik was door de omstandigheden geëxcuseerd.
Prompt raakte ik in een creatieve stemming. Ik had tijdens de vergadering nieuwe koorliederen aangekondigd om de aanstaande jubileumuitvoering van de Linnaeus Cantate mee in te leiden. Ik sloeg een boek open dat ik ooit van straat had meegenomen, waarin ik alleen wat lusteloos had gebladerd maar dat ik te mooi uitgegeven vond om weg te doen: een echt koffietafelboek. Britain in Verse, glimmend papier, panoramische foto's van groene landschappen, een voorwoord van John Gielgud. Ik zocht op met name genoemde bloemen en vogels en koos na wat aarzelingen voor een fragment uit A Midsummer Night's Dream van Shakespeare. De cadans beviel me, ik ging aan de vleugel zitten en nog diezelfde dag had ik het in potloodschets op papier. 

Scheppingsroes is voor mij een heel gewoon woord. Ik heb het alleen al op dit blog verschillende keren gebruikt, in de zorgeloze overtuiging dat ik goed Nederlands bezigde. Maar de Van Dale kent het niet (wel -drang, -drift of -vreugde) en als je het op Google intikt krijg je nul hits. 
De volgende morgen was de eerste vlaag van scheppingsroes voorbij maar ik wilde mijn nieuwe lied nog niet loslaten. Ik bracht alles over in Dorico, nam er lekker de tijd voor, en verbeterde nog flink wat; daarmee zou ik ook de volgende dag doorgaan, want je moet ze nooit te snel de deur uit doen, deze geesteskindjes. 

Vanmorgen toen ik voor de genadeloze 37 graden zou toeslaan naar buiten ging om spullen voor een spaghetti alla puttanesca te halen en ampel witte wijn om ijskoud te drinken (proost pa!) merkte ik hoe de hitte mijn enthousiasme nog een tandje hoger zette. Al op het snikhete en beendroge Museumplein had ik mompelend de eerste twee verzen vertaald. Zomaar. Voor de lol. 

Titania

Ik ken een plek waar tijm uitbundig bloeit,
Waar sleutelbloem en ’t teer viooltje groeit;
Door kamperfoelie-weelde overdekt,
Met egelantier en rozen bont bevlekt:
Titania slaapt alle nachten hier,
Rust uit in ’t bloembed van haar dansplezier;
Een slangenhuid, glinsterend afgeschud,
Dekt ruim haar toe als ze is ingedut.


Illustratie: Titania Sleeps (1928) door Frank Cadogan Cowper (1877-1958)


vrijdag 19 juni 2026

Pruikzwam, leeuwenmanen, engelenhaar



Dat voedingssupplementen niet altijd onschuldig zijn leerde ik van Valdispert Stemming. Daarin zit het extract van iets dat rhodiola rosea heet, ofwel rozewortel, een vetplant uit de bergen. Niet combineren met antidepressiva waarschuwt de online drogist. Zo'n voorbehoud wil zeggen dat je met meer dan een homeopathisch toverpilletje te maken hebt: ook als je er niet in gelooft gebeurt er iets. Ik ontdekte al snel dat ik me opgewekter voelde door deze tabletjes, maar na een dag of wat prikkelbaar werd en pijnlijk helder ging dromen. Ik bracht de dosis terug van 3 naar maximaal 2 pillen per dag. Dat is de pest met die 'natuurlijke' medicatie: geen serieus onderzoek, geen sluitende dosering, in elk merk andere verhoudingen. Tegenwoordig komt Valdispert Stemming in één dagelijkse pil en heeft het voor mij afgedaan. 

Kortgeleden werd ik op internet lekker gemaakt voor iets dat Lion's Mane heet. Ik had wat last van geestelijke vermoeidheid en hersenmist en mijn zenuwgestel was ontregeld, er huisde een onderdrukte snik in mijn keel die maar iets nodig had om los te breken. Deze pruikzwam, zoals de schimmel in het Nederlands heet, stimuleerde de hersenen, begreep ik na kritische studie (er waren althans aanwijzingen dát...), en de toegevoegde hoeveelheden ijzer en vitamine B12 zouden die zenuwtjes wel even stabiliseren. 
Het potje kwam en ik slikte. Het effect was al snel merkbaar, en verbluffend. De mist trok op, de snik verdween en mijn concentratie was ongehoord: ik ontcijferde ingewikkelde akkoorden in een fractie van een seconde en sloeg alle noten goed aan nog voor ik me bewust was van wát ik speelde. Maar ook had ik het gevoel dat er iemand met me meeliep die me elk moment op mijn schouder kon tikken, en dat er gedachten waren die ik niet kon pakken. Ik kende dat nog van Prozac, vroeger. Toen ook die veel te heldere dromen kwamen gaf ik er de brui aan. Voor mij geen leeuwenmanen meer. 

                                                                         *

Mijn vaste kapper is verhuisd. Omdat ik geen zin had om met die warmte naar de Van Wou te lopen besloot ik vader en zoon Van Bolderick weer eens te bezoeken.
'Rook je nog sigaren?' vroeg ik. Senior was vroeger uit te tekenen met een bolknak, die hij op de vensterbank legde als hij moest knippen. 'Soms,' zei hij verontschuldigend. 'Maar in de zaak mag allang niet meer.'
De jongelui van Pieter Bas Kapsalons hebben iets met hoog haar. Wat ik ook zei, het bleef boven altijd te lang naar mijn smaak. Opscheren aan de zijkant moest ik ze juist weer streng verbieden.
Deze kapper, zelf kaal als een bruinverbrande biljartbal, had die scrupules niet. 'Goed kort,' had ik gezegd. Voor ik kon protesteren haalde hij een zoemende trimmer over mijn schedel en zag ik voor het eerst het stekeltjeskapsel zich aftekenen waarom ik nooit had durven vragen. Er kwam geen schaar aan te pas, wel tondeuses in soorten en maten. Toen ook mijn baard en snor met "een twee-tje" waren ingekort (stoppels ging me te ver) keek ik verbaasd in de spiegel en zei: 'Tien jaar jonger; nou ja, vijf.'
'Dat is op onze leeftijd al heel wat,' meende biljartbal.
Op de grond lag een ordeloze massa wit haar. 'Net een sinterklaasbaard,' vond ik.
'Meer iets voor in de kerstboom. Engelenhaar,' grinnikte hij.
Hij ging me voor naar de kassa. 'Doe maar vier tientjes,' zei hij goeiig, alsof hij me een persoonlijke gunst verleende. Een pin hadden ze niet. Hij riep zijn zoon, die buiten stond te bellen. 'Ries, een Tikkie!'